RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27596
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 8 van het EVRM: de belangenafweging
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit en het aanvullend besluit een motiveringsgebrek bevatten. De minister heeft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onvoldoende gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissing komt en wat de gevolgen daarvan zijn.
Het asielrelaas
8. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Jordaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 1999 en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Als vrouw is zij op meerdere vlakken door haar familie in haar vrijheid beperkt. Eiseres mocht niet studeren en ook niet alleen naar buiten. Slaan was onderdeel van de opvoeding. Vanaf haar zestiende levensjaar is eiseres meerdere keren door haar vader en broers mishandeld. Ook is eiseres uitgehuwelijkt aan haar neef. In mei 2021 is ze met hem op religieuze wijze verloofd. Er waren nog geen plannen voor een bruiloft, eerst moest het huis waarin ze zouden gaan wonen gebouwd worden. In 2020 heeft eiseres haar partner ( [naam] ) via snapchat leren kennen. Sindsdien hebben ze een relatie. Toen eiseres met haar gezin op vakantie naar Duitsland ging, is ze gevlucht. Eiseres heeft een periode bij een vriendin in Duitsland gewoond. In 2022 heeft ze [naam] in Nederland ontmoet. Eiseres woont sinds 2024 met hem samen. Ze verwachten samen een kindje. Bij terugkeer vreest eiseres vermoord te worden door haar broer en/of vader.
Het bestreden besluit
9. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
10. De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Volgens de minister is eiseres geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiseres uit Jordanië komt is daarvoor niet genoeg. Ook zijn haar problemen niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verder is niet gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Jordanië blootgesteld wordt aan ernstige schade. Dit omdat het mogelijk is om bescherming te vragen bij de autoriteiten, dat heeft eiseres nooit gedaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om bescherming te verkrijgen van de Jordaanse autoriteiten, zo stelt de minister.
11. Verder komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier. Het hebben van een partner in Nederland is onvoldoende om hiervoor in aanmerking te komen. Eiseres heeft namelijk niet aangetoond dat ze getrouwd is met haar partner. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Het aanvullende besluit
12. De minister heeft op 21 november 2025 een aanvullend besluit genomen als vervanging voor de motivering over het ingenomen standpunt over artikel 8 van het EVRM. In het aanvullende besluit wordt gesteld dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar partner. Toch is er geen reden om een verblijfsvergunning regulier aan eiseres te verlenen. Het belang van de Nederlandse overheid weegt namelijk zwaarder dan het persoonlijke belang van eiseres, [naam] en haar verwachte kind. De minister concludeert dat de gevolgen van het eerdere besluit in stand kunnen blijven en dat de asielaanvraag van eiseres wordt afgewezen.
Bescherming door de Jordaanse autoriteiten
13. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat bescherming door de Jordaanse autoriteiten in zijn algemeenheid mogelijk is. Volgens eiseres is niet voldaan aan artikel 3.37c van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Hierin wordt omschreven aan welk criterium de bescherming moet voldoen. Eiseres voert aan dat er nauwelijks sprake is van een doeltreffend juridisch systeem voor opsporing en vervolging dat bescherming kan bieden aan (potentiële) slachtoffers van huiselijk geweld. Hierbij verwijst eiseres naar informatie van MENA Rights Group van 11 juli 2023, ACCORD van 9 augustus 2023 en ACHRS 28 augustus 2022. De minister heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bescherming in Jordanië in zijn algemeenheid aanwezig is. De minister heeft dus niet voldaan aan zijn bewijslast. Het is daarom niet aan eiseres om die bewijzen te weerleggen dan wel aan te tonen dat deze bescherming in haar specifieke geval niet beschikbaar is.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 december 2018 volgt dat de minister voor de beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst moet onderzoeken of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij moet hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrekken. Als de minister die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Als hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
15. In het voornemen en het bestreden besluit heeft de minister verwezen naar verschillende bronnen om zijn standpunt te onderbouwen. Zo heeft de minister in het voornemen verwezen naar informatie van het GBVIMS Taskforce in Jordanië van 2023. Uit dit rapport blijkt dat huiselijk geweld vaker gemeld wordt bij de autoriteiten en dat slachtoffers betere toegang hebben gekregen tot hulpdiensten en juridische bijstand. Verder heeft de minister gewezen op de Justice Center for Legal Aid en de Family Protection Department. Dit zijn instanties die eiseres hadden kunnen helpen. Daarnaast heeft de minister in zijn verweerschrift verwezen naar informatie van Euro-Med Human Rights Monitor en Arab law quartely. Uit deze informatie blijkt dat daders van huiselijk geweld strafrechtelijk kunnen worden vervolgd en dat Jordanië vooruitgang boekt in het tegengaan van huiselijk geweld. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de Jordaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden tegen huiselijk geweld en dat eiseres daarom bij terugkeer naar Jordanië bescherming kan krijgen van de autoriteiten.
16. Nu de minister voldoende gemotiveerd heeft dat in Jordanië in het algemeen bescherming wordt geboden aan vrouwen in situaties van huiselijk geweld, is het aan eiseres om te onderbouwen dat in haar geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan en dat het voor haar gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is om bescherming in Jordanië te vragen.
17. De rechtbank is van oordeel dat uit de informatie die eiseres naar voren heeft gebracht, geen ander beeld volgt dan dat de minister heeft omschreven. In de door eiseres overgelegde informatie staat dat geweld tegen vrouwen wijdverspreid is en dat gevallen van gendergerelateerd geweld ondergerapporteerd blijven. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat het vragen om bescherming bij voorbaat kansloos is. Verder volgt de rechtbank de redenering van de minister dat uit de informatie van de ACHRS van 28 augustus 2022 met name blijkt dat het gaat over het ‘voorkomen’ van huiselijk geweld en niet over het bieden van bescherming voor vrouwen die al eerder slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld. Uit de overgelegde informatie blijkt dat gendergerelateerd geweld nog steeds een groot probleem is in Jordanië, maar niet dat de Jordaanse autoriteiten geen bescherming zouden bieden aan vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld.
18. Gelet op het voorgaande, had van eiseres mogen worden verwacht dat zij eerst gebruik had gemaakt van de beschermingsmogelijkheden in Jordanië, voordat zij een beroep zou doen op internationale bescherming. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Eiseres voert aan dat er een onjuiste weging en interpretatie aan haar relatie met [naam] is gegeven. Hierdoor is de belangenafweging onzorgvuldig tot stand gekomen. De intensiteit van de relatie wordt als laag ingeschat, terwijl eiseres gegevens over haar zwangerschap en het (aanstaande) huwelijk heeft overgelegd. Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat eiseres en haar partner zijn getrouwd op [datum huwelijk] 2025. Volgens eiseres is een sterkere onderbouwing van een vaste relatie in de vorm van een huwelijk, zwangerschap en erkenning van het ongeboren kindje nauwelijks denkbaar. Verder zijn er ook financiële gegevens van de partner van eiseres overgelegd waarmee het werk en inkomen voldoende aannemelijk zijn gemaakt.
20. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiseres en haar partner als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Tussen partijen is alleen de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in geschil.
21. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door de minister gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen.
22. De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De minister heeft in het aanvullende besluit de intensiteit van het gezinsleven, de inmenging in haar familie- of gezinsleven, de economische belangen, de inburgering en de afwezigheid van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst voort te zetten in het nadeel van eiseres meegewogen en geconcludeerd dat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt.
23. De minister heeft in het nadeel kunnen meewegen dat geen sprake is van inmenging in het gezinsleven en dat eiseres niet is ingeburgerd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres nog geen verblijfsrecht in Nederland heeft gehad en dat ze de overheid voor een voldongen feit heeft geplaatst. Eiseres is namelijk een serieuze relatie aangegaan, zonder erop te kunnen vertrouwen dat ze in Nederland mocht wonen. Dat eiseres zonder verblijfsvergunning een gezinsleven is gestart komt voor haar eigen rekening. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiseres nog geen sterke banden heeft met Nederland en dat haar band met Jordanië sterker is.
24. Ten aanzien van de intensiteit van het gezinsleven heeft de minister gesteld dat er geen foto’s en video’s zijn overgelegd die onderbouwen op welke manier invulling wordt gegeven aan de relatie van eiseres. Hierover heeft eiseres aangevoerd dat zij sinds 2020 via snapchat contact heeft gehad met haar partner. In december 2022 heeft eiseres haar partner in Nederland ontmoet. Sinds april 2024 wonen zij samen. Ten tijde van het nader gehoor waren er al trouwplannen en was de zwangerschap bij de minister bekend. In het aanvullend gehoor heeft eiseres nadere verklaringen afgelegd over het samenwonen en gezinsleven. De minister heeft ten onrechte gesteld dat er geen onderbouwing is overgelegd van de invulling van de relatie van eiseres, zo stelt eiseres. Er is namelijk niet om foto’s en video’s gevraagd.
25. De rechtbank vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij twijfelt aan de intensiteit van het gezinsleven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe de trouwplannen en de zwangerschap mee hebben gewogen in de beoordeling van de intensiteit van het gezinsleven. Daarnaast heeft eiseres consistent en uitgebreid verklaard over haar gezinsleven, en heeft de minister niet gespecificeerd welke onderdelen van die verklaring niet worden gevolgd. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk aan welke onderdelen wordt getwijfeld door de minister.
26. Ten aanzien van het economisch belang heeft eiseres inkomensgegevens van haar partner overgelegd. Ten tijde van het aanvullend besluit is deze informatie door de minister over het hoofd gezien. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de minister hierover aangegeven dat ten onrechte is overwogen dat er geen arbeidscontract en loonstroken van de partner zijn overgelegd. Nu is aangetoond dat de partner van eiseres inkomen heeft, stelt de minister dat het economisch belang van de Nederlandse staat minder zwaar zal wegen. Volgens de minister neemt dit niet weg dat dit belang nog steeds in het nadeel meeweegt. Dit omdat eiseres een beroep zal moeten doen op de algemene middelen van de staat, aangezien zij de taal niet spreekt, geen opleiding heeft gevolgd en omdat de kans dat eiseres in Nederland een baan zal krijgen gering is. Met vorenstaande motivering heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres gebruik zal moeten maken van de algemene middelen. Verder is ook niet duidelijk gemotiveerd waarop de minister zijn stelling baseert dat eiseres een geringe kans heeft om betaald werk te krijgen in Nederland.
27. Ten aanzien van de objectieve belemmering heeft de minister gesteld dat deze niet aanwezig zijn. De partner van eiseres is afkomstig uit Syrië en heeft een verblijfsvergunning in Nederland. Volgens de minister is de situatie in Syrië sterk veranderd en zijn er geen omstandigheden meer die maken dat hij daar niet kan wonen. Hierdoor is het mogelijk om gezinsleven in Syrië voort te zetten. De rechtbank vindt deze motivering niet te volgen. De partner van eiseres heeft een verblijfsvergunning verkregen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe dit in de praktijk zou werken en waar hij op baseert dat het veilig is om terug te keren naar Syrië. De minister heeft ook de belangen van eiseres als zwangere vrouw onvoldoende in zijn besluitvorming betrokken.
85. Gelet op het voorgaande, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom de intensiteit van het gezinsleven, de economische belangen en de objectieve belemmeringen in het nadeel van eiseres zijn meegewogen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen
29. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullend besluit voor zover het ziet op de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister zelf een nieuwe belangenafweging moet maken in het kader van artikel 8 van het EVRM.
30. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
31. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de besluiten van 17 juni 2025 en 21 november 2025 voor zover deze zien op de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.