RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53601
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk vindt dat eiseres zich vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 10 juli 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op 4 november 2025 een aanvullende beslissing genomen waarin de minister een gebrek in de motivering van het bestreden besluit heeft hersteld.
3. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van de ouders van eiseres en de verzoeken om voorlopige voorziening van eiseres en haar ouders. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis
4. Eiseres heeft op 13 december 2015 voor de eerste keer asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op 8 februari 2019.
5. De minister heeft eiseres op 17 september 2019 ambtshalve uitstel van vertrek verleend vanwege haar medische situatie voor de periode van 26 augustus 2019 tot 26 februari 2020.
6. Eiseres heeft op 18 februari 2020 een verblijfsvergunning aangevraagd voor familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf bij haar broer en voor een verblijfsvergunning voor medische behandeling. De minister heeft deze aanvragen afgewezen. Eiseres heeft op 8 juni 2023 en op 23 september 2024 aanvragen gedaan om uitstel van vertrek vanwege haar medische situatie. De minister heeft deze aanvragen buiten behandeling gesteld, omdat de aanvragen niet compleet waren.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiseres heeft aan de onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij zich door langdurig verblijf in Nederland heeft ontwikkeld tot een verwesterde jonge vrouw. Eiseres wil geen hoofddoek dragen, zij wil zelf kunnen bepalen wanneer zij naar buiten gaat, zij wil een opleiding volgen en werken. Eiseres wil niet dat iemand anders bepaalt hoe zij moet leven. Eiseres stelt dat dit bij terugkeer naar Irak niet mogelijk is en dat haar levenswijze tot ernstige problemen zal leiden.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens de minister uit één asielmotief, namelijk de vereenzelviging van eiseres met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister vindt dit asielmotief niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres verklaart summier over haar vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Daarmee heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor haar identiteit of morele integriteit. Van eiseres mag worden verwacht dat zij uitgebreider kan verklaren over waarin zij precies is verwesterd en waarom dat fundamenteel is voor haar identiteit. Volgens de minister vormen de medische omstandigheden geen motief dat binnen deze asielprocedure moet worden getoetst.
Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen
9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden dat zij zich vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De minister heeft allereerst ten onrechte geen rekening gehouden met de ernstige fysieke beperkingen van eiseres, die haar belemmeren in haar expressie als vrouw. Eiseres is aan huis en aan bed gekluisterd en leeft vrij geïsoleerd, wat haar geestelijke ontwikkeling heeft bemoeilijkt. Bovendien is eiseres door haar fysieke beperkingen juist meer afhankelijk van familie of de gemeenschap in het land van herkomst, waardoor zij meer zal worden blootgesteld aan traditionele normen en minder ruimte heeft om haar verwesterde identiteit te uiten. Verder vindt eiseres dat de minister in strijd heeft gehandeld met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door haar fysieke omstandigheden niet mee te wegen in de besluitvorming. Tot slot verwijst eiseres naar de positie van vrouwen in het algemeen en de extra kwetsbare positie van vrouwen met een fysieke beperking in Irak. Ter onderbouwing wijst eiseres op het algemeen ambtsbericht Irak van 2023 en diverse artikelen over de algemene situatie van vrouwen in Irak.
10. De rechtbank overweegt eerst als volgt. Het Hof van Justitie van de EU heeft in haar arrest van 11 juni 2024 geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken die bepalend zijn voor haar identiteit. Daarbij valt te denken aan keuzes op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om zelf te kiezen of zij een geloof wil aanhangen en om eigen politieke opvattingen te hebben en deze te uiten, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze. Deze vereenzelviging hoeft niet uit politieke of religieuze motieven voort te komen.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij de gestelde vereenzelviging van eiseres niet aannemelijk vindt. De minister heeft daartoe kunnen overwegen dat eiseres summier en oppervlakkig heeft verklaard over de gestelde vereenzelviging, bijvoorbeeld over waarom het belangrijk voor haar is dat zij naar buiten kan gaan, kan uitgaan, haar eigen kleding kan kiezen, geen hoofddoek wil dragen en kan studeren en werken. Eiseres kan verder niet uitleggen waarom zij onafhankelijk wil zijn en hoe het voor haar zou zijn als de genoemde vrijheden ontnomen zouden worden. Met de algemene en summiere verklaringen heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende concreet gemaakt dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de levenskeuzes die zij niet vrij zou kunnen maken, bepalend zijn voor haar identiteit. Verder heeft eiseres algemene stellingen ingenomen en landeninformatie overgelegd over de situatie van vrouwen in Irak. Ook daarmee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor haar persoonlijk geldt dat zij in het dagelijks leven het voordeel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen wil genieten en dat dit in Irak voor haar niet mogelijk is.
De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar fysieke beperkingen en het feit dat deze haar geestelijke ontwikkeling en expressie als vrouw hebben belemmerd. Eiseres heeft deze stelling niet verder onderbouwd of concreet gemaakt. De stelling in beroep dat eiseres aan huis en bed gekluisterd is en vrij geïsoleerd leeft, strookt bovendien niet met haar verklaringen dat zij vrijwilligerswerk doet, uitgaat met vriendinnen, deelneemt aan activiteiten en haar ouders helpt met boodschappen doen en medische afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op de zitting daarom, gelet op de verklaringen van eiseres over wat zij in het dagelijks leven onderneemt, op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien op welke wijze de fysieke beperkingen van eiseres haar zouden hebben belemmerd in haar geestelijke ontwikkeling en expressie als vrouw.
Het beroep van eiseres op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap slaagt evenmin. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom en hoe de minister gelet op dit verdrag in de besluitvorming bij de onderhavige aanvraag rekening had moeten houden met de fysieke beperkingen van eiseres. De minister heeft er naar het oordeel van de rechtbank verder op kunnen wijzen dat hij in de eerdere procedures al aandacht heeft besteed aan de medische situatie van eiseres. De minister heeft daarbij tot slot kunnen overwegen dat eiseres een reguliere aanvraag kan doen als zij verblijf wil op grond van haar medische situatie.
Gelijkheidsbeginsel
11. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft de zus van eiseres wel een verblijfsvergunning gegeven vanwege haar verwestering. Eiseres en haar zus hebben dezelfde ideeën en verlangens en zijn beiden qua denken volledig geëmancipeerd.
12. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er terecht op kunnen wijzen dat elke situatie op haar eigen merites wordt beoordeeld en dat onvoldoende is onderbouwd of gebleken dat sprake is van gelijke gevallen. Het enkele feit dat sprake is van zussen en zij hetzelfde zouden denken, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. Voor zover in het beroep op het gelijkheidsbeginsel mede een beroep op het evenredigheidsbeginsel moet worden gelezen, slaagt dit ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van onvoldoende feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat het besluit van de minister onevenredig is.
De aanvullende beslissing
13. De minister heeft op 4 november 2025 een aanvullende beslissing genomen, waarin hij vermeldt dat de datum van het eerdere terugkeerbesluit niet 25 november 2022, maar 6 maart 2020 is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee erkend dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, welk gebrek de minister thans geheel heeft hersteld. Gelet op het voorgaande en omdat niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Dat betekent dat het motiveringsgebrek niet leidt tot een gegrond beroep en dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Eiseres krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.