RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53603
V-nummer: [nummer]
en
[naam] , eiseres
V-nummer [nummer]
samen: eisers
(gemachtigde: H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eisers geen asielmotieven naar voren hebben gebracht die bij een opvolgende asielaanvraag kunnen worden beoordeeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 10 juli 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 31 oktober 2025 in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De minister heeft op 4 november 2025 een aanvullende beslissing genomen ten aanzien van eiseres.
3. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van de dochter van eisers en de verzoeken om voorlopige voorziening van eisers en hun dochter. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis
4. Eisers hebben op 13 december 2015 voor de eerste keer asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op 8 februari 2019.
5. De minister heeft op 17 september 2019 ambtshalve besloten om aan eiser geen uitstel van vertrek te verlenen vanwege zijn medische situatie. De minister heeft eisers bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft beroep van eiser op 22 oktober 2020 ongegrond verklaard.
6. Eiser heeft op 19 november 2020 uitstel van vertrek aangevraagd vanwege zijn medische situatie. De minister heeft deze aanvraag op 21 oktober 2022 afgewezen.
7. Eisers hebben op 18 februari 2020 een verblijfsvergunning aangevraagd voor familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf bij hun zoon. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de beroepen van eisers op 13 april 2023 ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
8. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij in Nederland bij hun dochter [naam] willen verblijven. De dochter heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend en eisers willen een afgeleide asielvergunning ontvangen.
Het bestreden besluit
9. De minister heeft de asielvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de opvolgende aanvragen zien op een reguliere verblijfsvergunning. De aanvragen zien daarmee niet op iets dat in een opvolgende asielaanvraag wordt beoordeeld. Bovendien heeft de dochter geen verblijfsvergunning asiel.
Heeft de minister de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard?
10. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat hun dochter niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
11. De beroepsgrond slaag niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verblijf beogen op grond van een regulier verblijfsdoel, namelijk verblijf bij hun meerderjarige dochter. Daarmee zien de aanvragen niet op een asielmotief dat de minister bij een opvolgende asielaanvraag moet of kan beoordelen. Eisers vallen niet onder de gezinsleden die in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Eisers hebben bij hun asielaanvraag ook geen nieuwe relevante elementen of bevindingen naar voren gebracht over hun persoonlijke situatie. De rechtbank wijst er bovendien op dat bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.53601, het beroep van de dochter van eisers ongegrond is verklaard.
Het aanvullende besluit
12. De minister heeft op 4 november 2025 een aanvullende beslissing genomen ten aanzien van eiseres. waarin hij vermeldt dat de datum van het eerdere terugkeerbesluit niet 25 november 2022, maar 6 maart 2020 is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee erkend dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit van eiseres, welk gebrek de minister thans geheel heeft hersteld. Gelet op het voorgaande en omdat niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Dat betekent dat het motiveringsgebrek niet leidt tot een gegrond beroep en dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
Eisers krijgen vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.