8. ECLI:NL:RVS:2024:32.
9 ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 tot en met 10.3.
beroepsgrond slaagt niet.
13. Tot slot ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister de zienswijze onvoldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling, nu in het bestreden besluit is ingegaan op hetgeen is aangevoerd in de zienswijze en eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom dit onvoldoende zou zijn. Ook deze grond treft geen doel.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 31 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar India.
15. Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
16. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.9492 de voorlopige voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten.10 Met deze uitspraak vervalt die voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder sub c, van de Awb. Op 8 april 2024 is ten behoeve van eiser eveneens een voorlopige voorziening getroffen in de zaak van NL24.14751. Ook deze vervalt doordat in onderhavige zaak uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.
10. ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.