[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1 Bij besluit van 9 april 2026 heeft verweerder aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 opgelegd.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring op 16 april 2026.
Op 23 april 2026 heeft de minister de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven wegens eisers uitzetting naar zijn land van herkomst.
Op 28 april 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Op 4 mei 2026 is verzoeker verzocht om zijn verzoek nader toe te lichten. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoeker heeft zijn verzoek niet toegelicht of onderbouwd. De rechtbank heeft verzoeker daarom bij brief van 4 mei 2026 verzocht zijn verzoek binnen een termijn van twee weken nader toe te lichten.
5. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring is opgeheven omdat eiser is uitgezet naar zijn land van herkomst, namelijk Mexico. Gesteld noch gebleken is dat de maatregel is opgeheven omdat deze op enig moment onrechtmatig is geweest. De conclusie is daarom dat geen sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het ingestelde beroep. Verzoeker heeft niets aangevoerd wat tot een ander oordeel zou moeten leiden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2026
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.