RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63749
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 23 december 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Battaloglu als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 2001 en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij heeft nieuwe Turkse justitiële documenten ontvangen van zijn advocaat waaruit blijkt dat hij zou worden gezocht. Uit dit document volgt dat eiser moet worden aangehouden en verhoord, vanwege het beledigen van president Erdogan. Eiser heeft namelijk in Nederland twee negatieve Facebook berichten geplaatst over de president. Hierna is de politie langs het ouderlijk huis van eiser geweest en heeft de politie een proces-verbaal achtergelaten op 7 november 2024. Bij terugkeer vreest eiser dat hij na het verhoor niet zal worden vrijgelaten en zal worden gearresteerd.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de Turkse autoriteiten vanwege belediging van de president;
3. Politieke overtuiging en activiteiten in Nederland.
8. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat alle drie de asielmotieven geloofwaardig zijn. Volgens de minister is eiser geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en loopt hij bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft zijn vrees om bij terugkeer naar Turkije gearresteerd te worden niet aannemelijk gemaakt. Volgens de minister is het in geen geval zeker dat het bevel tot aanhouding zal leiden tot een strafzaak én veroordeling. Ook blijkt nergens uit dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden. Daarnaast is er geen gegronde vrees voor vervolging vanwege de politieke overtuiging van eiser. De minister overweegt dat er sprake is van een commuun delict, een delict die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verder heeft eiser in het verleden in Turkije geen politieke activiteiten verricht waardoor hij problemen heeft ondervonden. De minister volgt niet dat eiser zich in de toekomst in Turkije politiek wil uiten en niet is gebleken dat zijn politieke overtuiging van dusdanig niveau is dat hij in Turkije te vrezen heeft. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
9. Eiser heeft op 21 augustus 2024 al een terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen. Deze zijn nog steeds geldig. Problemen vanwege belediging van president Erdogan
Standpunt eiser
10. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM. Vaststaat namelijk dat een strafrechtelijk onderzoek is gestart vanwege belediging van de president, dat een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en dat de politie is langs geweest bij het ouderlijk huis van eiser. Dit zijn duidelijke indicaties dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Volgens eiser biedt het feit dat hij formeel na verhoor op vrije voeten zou moeten worden gesteld, geen garantie dat hij daadwerkelijk niet zal worden vastgehouden, vervolgd of geïntimideerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 en naar informatie van Human Rights Watch. Hieruit volgt dat gedurende de ambtstermijn van president Erdogan een toenemend aantal personen is onderzocht, vervolgd en veroordeeld op grond van artikel 299 van het Turks wetboek van Strafrecht wegens het beledigen van de president. Ook verwijst eiser naar het rapport van het US State Department, waaruit volgt dat de autoriteiten bij kritische uitingen strafrechtelijke vervolging instellen wegens vermeende banden met terroristische groeperingen.
11. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat het in zijn geval ook gaat om een aanklacht wegens propaganda voor terrorisme. Volgens eiser volgt dit uit informatie die hij heeft gekregen van zijn advocaat in Turkije. Bij de brief van die advocaat is een screenshot gevoegd, waaruit kan worden afgeleid dat de advocaat in het systeem UYAP geen toegang meer heeft tot het dossier van eiser. Volgens eiser kan daaruit opgemaakt worden dat de aanklacht meer omvat dan alleen het beledigen van Erdogan.
12. Verder voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Volgens eiser volgt uit de justitiële documenten dat eiser vanwege zijn bericht op Facebook al in de negatieve belangstelling is komen te staan. Het enkele feit dat eiser deze kritische uitingen in Nederland heeft gedaan, ontneemt volgens hem dan ook niet het risico op vervolging bij terugkeer. Eiser verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten social media-accounts wereldwijd monitoren en dat onderzoeken naar kritische uitingen ook worden ingesteld wanneer deze vanuit het buitenland zijn gedaan. Ook voert eiser aan dat de minister ten onrechte van eiser verwacht dat hij zich terughoudend opstelt bij eventuele toekomstige activiteiten om problemen te voorkomen. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Y en Z van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012.Oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tegen eiser een aanhoudingsbevel voor verhoor is uitgevaardigd voor het beledigen van president Erdogan. Dit aanhoudingsbevel is gedaan naar aanleiding van twee berichten van eiser op Facebook. In het aanhoudingsbevel is verwezen naar artikel 299 van het Turkse Wetboek van Strafrecht.
14. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat sprake is van een commuun delict. Het Vluchtelingenverdrag biedt geen bescherming tegen een reguliere strafvervolging, tenzij sprake is van een disproportionele of discriminatoire bestraffing. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser disproportioneel of discriminatoir zal worden bestraft vanwege zijn uitlatingen over president Erdogan. Uit het aanhoudingsbevel volgt dat eiser na verhoor weer in vrijheid moet worden gesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na het verhoor zal worden vastgehouden. Uit het aanhoudingsbevel noch uit de andere justitiële documenten kan worden opgemaakt dat eiser na terugkeer zal worden onderworpen aan detentie. De minister heeft verder ter zitting terecht gewezen op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht waaruit volgt dat volgens het Turkse ministerie van Justitie in 2023 18.866 personen strafrechtelijk zijn onderzocht op grond van artikel 299 tot en met artikel 301 van het Turkse strafrecht. Van deze groep werden 1.602 personen veroordeeld en 1.982 andere personen kregen een voorwaardelijke straf. Dit hield in dat zij pas naar de gevangenis moesten in het geval van recidive. De door eiser overgelegde landeninformatie leidt verder niet tot een ander oordeel. In een aantal artikelen wordt verwezen naar zaken die ook in het Algemeen Ambtsbericht zijn betrokken, waarin een rechter een vonnis heeft geschorst of waarin sprake is van strafrechtelijke procedures tegen een advocaat of een journalist. Eiser heeft niet toegelicht waarom deze informatie specifiek op hem van toepassing is.
15. Ten aanzien van de vraag of eiser vanwege zijn politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, S en A volgt dat een opvatting, gedachte of mening van een vreemdeling die nog niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in het land van herkomst, al onder het begrip ‘politieke overtuiging’ kan vallen als deze vreemdeling verklaart die opvatting, gedachte of mening te hebben of te uiten. Daarbij geldt dat niet langer is vereist dat sprake is van een fundamentele politieke overtuiging.
16. Dit arrest en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, hebben geleid tot aanpassing van het door de minister gevoerde beleid met betrekking tot de beoordeling van een gestelde politieke overtuiging als asielmotief. Deze aanpassing is neergelegd in het Informatie Bericht 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging (IB 2024/10).
17. Uit het IB 2024/10 volgt dat de minister eerst beoordeelt of sprake is van een geloofwaardige politieke overtuiging, waarbij een gedachte of mening al onder het begrip ‘politieke overtuiging’ valt. Vervolgens wordt beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging. Deze beoordeling dient op individuele basis en per geval te worden verricht, waarbij de beoordeling is gericht op de sterkte van de overtuiging en de eventueel geloofwaardig verrichte activiteiten en de daaraan ontleende vrees bij terugkeer. Bij deze vrees wordt beoordeeld of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op een bepaalde manier zal uiten en of hij of zij daardoor te vrezen heeft. Ook volgt uit het IB 2024/10 dat bij deze beoordeling moet worden betrokken in hoeverre de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat bij de autoriteiten.
18. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig acht. In geschil is of deze overtuiging voldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser gestelde politieke overtuiging niet van dusdanig niveau is dat hij hierdoor te vrezen heeft in Turkije. Vaststaat dat eiser vanwege zijn berichten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Eiser heeft echter niet aannemelijk kunnen maken dat de tegen hem gerichte vervolging is ingegeven door zijn politieke overtuiging. De inhoud van het aanhoudingsbevel geeft hier ook geen aanleiding toe. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het aanhoudingsbevel noch uit het overgelegde screenshot van het UYAP-systeem blijkt dat sprake is van vervolging wegens propaganda voor terrorisme. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat het ontbreken van toegang verband houdt met de aard van de vervolging, en evenmin dat in dit geval om die reden geen toegang is verleend.
20. Daarnaast heeft de minister mogen betrekken dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in de ontwikkeling van zijn politieke overtuiging. Eiser heeft niet kunnen verklaren hoe zijn ideeën zich hebben ontwikkeld en waarom hij pas in Nederland actief is geworden op social media, terwijl hij dat in Turkije niet was. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voornemens is om activiteiten te verrichten die verder gaan dan het plaatsen van berichten op social media. Daarbij heeft de minister ook in aanmerking mogen nemen dat het social media-account van eiser slechts een beperkt aantal volgers heeft.
21. Gelet op al het voorgaande, heeft de minister zich terecht op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
22. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.