RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R.V. Bekker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 13 augustus 2024 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Ghanese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 18 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Dit besluit bevatte nog geen terugkeerbesluit, omdat eiser een verblijfsvergunning had op basis van studie. Tegen het besluit van 18 augustus 2023 heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend. De minister heeft dit besluit ingetrokken.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
5. Op 13 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
6. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Lacin als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Privéleven
Toepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en implementatie
7. Eiser voert in beroep - kort samengevat – aan dat eiser niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiser mag de minister niet als vereiste stellen dat hij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, dit niet als vereiste is opgenomen. Eiser stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Eiser stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiser dat voor het terugkeerbesluit van 13 augustus 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt. Ter onderbouwing heeft eiser een beëdigde vertaling van de Zweedse versie van het Uitvoeringsbesluit overgelegd, en een verklaring van een beëindigd vertaler met betrekking tot de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit.
8. In artikel 5, derde lid, van de RTB zijn de voorwaarden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.
9. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen. Ook kan één taalversie niet prevaleren boven de andere taalversies.3 Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht, moet bij de uitlegging van deze bepaling worden gelet op de algemene
3 Zie in dit kader bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 november 1998, ECLI:EU:C:1998:536.
opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.4
10. De rechtbank stelt vast dat de Zweedse tekst van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet afwijkt van die van de Nederlandse tekst, waarin voor het in aanmerking komen van tijdelijke bescherming als vereiste is gesteld dat de vreemdeling over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikt. Dat in de considerans van de Zweedse taalversie het woord ‘permanent’ ontbreekt, betekent niet dat dit vereiste niet geldt.
11. In de zienswijze heeft eiser een vertaling opgenomen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit deze vertaling blijkt dat voor tijdelijke bescherming alleen legaal verblijf als vereist is gesteld. In beroep heeft eiser een verklaring van een beëdigd vertaler overgelegd waarmee hij dit heeft willen bevestigen. De omstandigheid dat er in de overgelegde Hongaarse vertaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ‘het permanent verblijf’ niet als vereiste is opgenomen, vormt een onvoldoende onderbouwing om niet uit te gaan van de andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit, waaronder de Nederlandse. In de Nederlandse versie staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning. Deze versie komt overeen met andere taalversies zoals die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit. In overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en de facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor deze laatste groep melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. In de Hongaarse vertaling van de considerans is in overwegingen 12 en 13 eveneens onderscheid gemaakt tussen derdelanders met een permanente en met een tijdelijke verblijfsvergunning, hetgeen er ook op wijst dat onderscheid bestaat tussen deze twee groepen. Dat voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sprake moet zijn van permanent verblijf is ook terug te lezen in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024.5
12. Het vorenstaande leidt er toe dat de minister ook niet is gehouden om op grond van artikel 28, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VEU) de uitvoering de RTB aan de Raad voor te leggen, nu niet kan worden gesproken van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook is geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser valt wel onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke bescherming is voor eiser beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4 Zie in dit kader het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197.
5 ECLI:EU:C:2024:1038, overwegingen 87 en 88.
14. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.
15. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toepastemming van verblijf, en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.6 Uit deze richtlijn volgt dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
16. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeldt als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20227, dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op het recht van eerbiediging va het privéleven van de betrokken derdelander.
17. Eiser heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat hij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbieding van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier ook om een relatief kort verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
20. Op 3 september 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen in de zaak NL25.41010. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.
Beslissing
6 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85.
7 ECLI:EU:C:2022:913.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 januari 2026
Mr. B. Fijnheer W.J.T. Twijnstra
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.