RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.875
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en
(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 21 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 1991 en behoort tot de Eshan bevolkingsgroep. Eiser heeft in de wijk [naam] in [plaats 1] gewoond, waar veel christenen maar ook veel moslims wonen. De familie van eiser is christelijk en zijn vader predikte regelmatig om mensen te overtuigen van het christendom. Zijn vader is hierom mishandeld door een groep moslims en als is gevolg daarvan komen te overlijden. Eiser is de volgende dag met vrienden gaan demonstreren bij het gemeentehuis vanwege het geweld. Daarbij zijn gevechten uitgebroken tussen de groep van eiser en een moslimgroep, waarbij vernielingen zijn aangericht. Eiser is gevlucht naar [plaats 2] nadat twee vrienden zijn gearresteerd. Hij heeft later gehoord dat de politie ook naar hem op zoek was. Vervolgens heeft hij het land verlaten. Toen eiser in Europa was, is hij begonnen met het uiten van kritiek op de regering. Bij terugkeer vreest eiser voor de autoriteiten en de moslimgemeenschap.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De dood van vader en de daaruit voortvloeiende problemen;
3. Online kritiek op de regering.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De minister vindt de dood van vader en de daaruit voortvloeiende problemen en de online kritiek op de regering niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet volledig kunnen onderbouwen met de overgelegde documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval nu er niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, b en c, van de Vw.
10. Verder is eiser volgens de minister geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dit omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft de vrees om bij terugkeer naar Nigeria gearresteerd te worden niet aannemelijk gemaakt. Bovendien stelt de minister zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade.
11. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en j van de Vw. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser hem heeft misleid door valse informatie te verstrekken. Ook vormt eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Eiser is in Italië namelijk veroordeeld voor de aan- en verkoop alsmede het transporteren van verdovende middelen. Eiser heeft hiervoor een gevangenisstraf van drie jaar en 340 dagen gekregen en een boete van meer dan € 15.000,-. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister een inreisverbod uitgevaardigd van twee jaar.
Het medisch advies
12. Eiser voert aan dat het medisch advies ontbreekt in het dossier. Pas bij toezending van het verweerschrift heeft eiser kennis genomen van het medisch advies. Volgens eiser blijkt uit dit document niet dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en wat de uitkomst daarvan was. Dit is in strijd met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
13. De rechtbank oordeelt als volgt. In het dossier waarover de rechtbank beschikt, bevindt zich een medisch advies van MedTadvies. Dit document was al voor het indienen van het verweerschrift door de minister voor de rechtbank inzichtelijk. Het is de rechtbank niet duidelijk om welke reden eiser hiervan geen kennis heeft genomen. Nu eiser niet tijdens de zitting aanwezig was, heeft de rechtbank hierover ook geen nadere vragen kunnen stellen of om een toelichting kunnen verzoeken. De rechtbank constateert op grond van het document dat medisch onderzoek wel degelijk is aangeboden. Daarmee is in zoverre voldaan aan artikel 3.109, vijfde lid van het Vb, waarin is bepaald dat aan de vreemdeling een medisch onderzoek wordt aangeboden en dat daarvoor schriftelijke toestemming is vereist.
14. Verder blijkt uit de verslagen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor dat aan eiser is gevraagd of hij lichamelijk en geestelijk in staat was om te worden gehoord en of er medische omstandigheden waren waarmee rekening diende te worden gehouden tijdens het gehoor. Eiser heeft daarop verklaard dat hij ‘oke’ was en dat het goed ging met zijn gezondheid. De rechtbank stelt vast dat tijdens de gehoren, maar ook in beroep geen medische omstandigheden naar voren zijn gebracht waar rekening mee moest worden gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheid beoordeling geloofwaardigheid; het referentiekader, Bureau Documenten en Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6)
Standpunt van eiser
15. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister de ongeloofwaardigheid van de gestelde problemen vanwege de dood van zijn vader onvoldoende deugdelijk en onzorgvuldig heeft gemotiveerd. Hiervoor voert eiser verschillende argumenten aan. Zo stelt eiser dat de minister het referentiekader onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming. Eiser verwijst daarbij naar jurisprudentie waaruit volgt dat de minister gehouden is om aan te geven op welke manier het referentiekader is meegewogen in de beoordeling van het asielrelaas. Daarnaast voert eiser aan dat details ten aanzien van data niet dermate zwaar aan hem mogen worden tegengeworpen. Volgens eiser heeft de minister tegengeworpen dat hij de exacte sterfdatum van zijn vader niet kan noemen. Hierbij heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met zijn jonge leeftijd ten tijde van het incident en met zijn culturele achtergrond. Ter onderbouwing verwijst eiser naar onderzoeken waaruit volgt dat Sub-Sahara Afrikanen meer moeite hebben met het reproduceren van specifieke data dan West-Europeanen.
16. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan het door hem overgelegde “extract from station diary” (het politiedocument). Volgens eiser is de conclusie van Bureau Documenten, inhoudende dat het document hoogstwaarschijnlijk niet echt is, niet inzichtelijk gemotiveerd. Eiser meent dat meer inzicht had kunnen worden gegeven over de totstandkoming van deze conclusie, zonder daarbij de onderzoeksmethoden prijs te geven. Bovendien heeft de minister volgens eiser onjuist weergegeven wat hij over het document heeft verklaard. Ten onrechte is hem tegengeworpen dat hij zou hebben gezegd dat het document een bewijs is dat de politie aan de deur zou zijn geweest. Eiser heeft namelijk aangevoerd dat het document bewijs is dat er ‘mensen’ aan de deur zijn geweest.
17. Ook voert eiser aan dat de beoordeling van de geloofwaardigheid op grond van de WI 2024/6, in strijd is het met Unierecht. Volgens eiser ontbreekt er in het toetsingskader een integrale beoordeling. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025. In die uitspraak is overwogen dat ten onrechte geen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden, omdat niet duidelijk was of alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw, aan de vreemdeling zijn tegengeworpen en, als dat niet het geval was, op welke manier deze voorwaarden zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid.
Beoordeling door de rechtbank
18. De rechtbank constateert dat de minister de gestelde problemen naar aanleiding van de dood van de vader van eiser om meerdere redenen niet geloofwaardig heeft geacht.
19. De minister heeft daarbij tegengeworpen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het politiedocument het enige document is dat het asielrelaas over de demonstratie zou ondersteunen. Uit onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat dit document hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Het rapport van Bureau Documenten is een deskundigenadvies. De minister mag hiervan uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om daaraan te twijfelen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen contra-expertise heeft laten uitvoeren en ook geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd om te twijfelen aan de uitkomsten van het onderzoek. De enkele stelling dat meer inzicht had kunnen worden gegeven in de onderzoeksmethoden is daarvoor onvoldoende. Bovendien overweegt de rechtbank dat de minister geen vertrouwelijke informatie over de gebruikte onderzoeksmethoden met eiser hoefde te delen. De minister heeft mogen wijzen op het belang van geheimhouding van deze methoden, omdat openbaarmaking kan leiden tot misbruik, zoals het aanpassen of vervalsen van documenten.
20. In het verlengde hiervan overweegt de rechtbank dat het betoog van eiser dat hij niet zou hebben gezegd dat het document een bewijs is dat de politie bij hem aan de deur is geweest, niet kan leiden tot het oordeel dat aan het document de waarde kan worden toegekend die eiser wenst. Het laat immers onverlet dat het document volgens het onderzoek van Bureau Documenten hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Bovendien merkt de rechtbank op dat eiser verder in het gehoor wel heeft opgemerkt dat de politie in 2022 bij zijn ouderlijk huis is geweest. De rechtbank merkt verder op dat de minister het niet aannemelijk heeft kunnen vinden dat iemand pas in 2022 – tien jaar na het incident – aangifte zou doen bij de politie.
21. De minister heeft verder tegengeworpen dat eiser onvoldoende oprechte inspanning heeft verricht om zijn asielrelaas te staven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarbij mogen betrekken dat eiser al in 2011 naar Italië is vertrokken om daar asiel aan te vragen en hij sindsdien gedurende lange tijd in Europa heeft verbleven en zich al geruime tijd in een asielprocedure bevindt. Verder heeft de minister mogen meewegen dat eiser, ondanks toezeggingen, na al die jaren nog steeds geen geboorteakte van zichzelf of de overlijdensakte van zijn vader heeft overgelegd. Ook heeft de minister het niet begrijpelijk mogen vinden dat eiser het politiedocument, dat al in 2022 is opgesteld, pas in mei 2025 heeft overgelegd.
22. Daarnaast heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank merkt daarbij op dat, hoewel in het voornemen niet kenbaar is geworden dat aandacht is besteed aan het referentiekader, hier in het besluit wel op is ingegaan. Ten aanzien van de leeftijd merkt de rechtbank op dat eiser ten tijde van de gestelde problemen in Nigeria 20 jaar oud was. Ten tijde van de asielaanvraag en de gehoren was eiser 31 respectievelijk 33 jaar oud. De beoordeling van de geloofwaardigheid heeft de minister vooral gebaseerd op het gedrag (zoals het niet overleggen van documenten en het niet verrichten van oprechte inspanning daartoe) van eiser tijdens de huidige asielprocedure. Het valt niet in te zien dat de leeftijd of culturele achtergrond van eiser daar invloed op heeft. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt op welke manier zijn culturele achtergrond van invloed zou zijn geweest op andere tegenwerpingen van de minister. Eiser heeft het belang van dit referentiekader vooral genoemd in het licht van de tegenwerping van de minister dat hij wisselend heeft verklaard over de sterfdatum van zijn vader. In dat kader constateert de rechtbank dat eiser in het aanmeldgehoor juli 2011 heeft genoemd als sterfdatum van zijn vader, in de correcties en aanvullingen januari 2011 en in het nader gehoor de exacte datum van 17 februari 2011 heeft genoemd. In zoverre is sprake van wisselende verklaringen. Maar de rechtbank merkt op dat het noemen van de exacte datum tijdens het nader gehoor kan worden verklaard door het feit dat eiser op dat moment beschikte over het door hem overgelegde politiedocument waarin deze concrete datum was vermeld. Dat eiser op dat moment een exacte datum noemt is daarom niet vreemd en de tegenwerping van de minister doet onvoldoende recht aan deze omstandigheden.
23. Hoewel in zoverre deze tegenwerping niet kan worden gevolgd, heeft de minister in het besluit voldoende andere redenen naar voren gebracht om het asielrelaas ongeloofwaardig te achten. Daarbij wijst de rechtbank er op dat de minister ook onderzoek heeft gedaan naar de door eiser gestelde demonstratie die zou hebben plaatsgevonden op de dag na de dood van zijn vader. Onderzoek via meerdere bronnen leverde niets op. De minister heeft dit opmerkelijk mogen vinden, omdat eiser heeft verklaard dat tijdens de demonstratie gebouwen en auto’s in brand zijn gestoken, dat meer dan 100 mensen aanwezig waren en dat er een dodelijk slachtoffer is gevallen uit een bekende familie.
24. Met betrekking tot WI 2024/6 stelt de rechtbank voorop dat zij hierover op 10 juni 2025 uitspraak heeft gedaan. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest. De minister heeft in onderhavige zaak alle bewijsmiddelen bij de beoordeling betrokken en deze in het besluit integraal beoordeeld.
25. Gelet op al het voorgaande heeft de minister de gestelde problemen in Nigeria ongeloofwaardig mogen vinden. De beroepsgrond slaagt niet. Online kritiek
26. Eiser voert aan dat hij zijn socialmedia-accounts uit veiligheidsoverwegingen heeft gedeactiveerd. Daarnaast stelt hij dat de minister is uitgegaan van een onjuist aantal volgers, wat volgens eiser het gevolg is van een misverstand tussen hem en zijn gemachtigde.
27. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn online activiteiten niet zijn onderbouwd. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de berichten niet meer vindbaar zijn omdat hij zijn accounts heeft verwijderd, stelt de minister dat niet valt in te zien dat deze berichten niet op andere wijze, bijvoorbeeld via voormalige volgers, kunnen worden teruggevonden. Eiser heeft dit niet betwist. De beroepsgrond van eiser richt zich uitsluitend op het aantal volgers. De rechtbank stelt vast dat eiser hierover zelf wisselend heeft verklaard, nu hij tijdens het nader gehoor heeft gesproken over 500 volgers, in de correcties en aanvullingen over 500.000 en in de zienswijze over 5.000 volgers. Daarnaast heeft eiser geen gronden aangevoerd waaruit volgt welk gewicht aan het aantal volgers moet worden toegekend, noch waarom dit ertoe zou moeten leiden dat het standpunt van de minister niet kan worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet. Kennelijk ongegrond
28. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen, omdat geen sprake zou zijn van misleiding en de tegenwerping inzake de openbare orde volgens hem onjuist is. De rechtbank stelt vast dat eiser deze grond niet nader heeft onderbouwd en voor het overige heeft volstaan met een verwijzing naar zijn zienswijze. De minister heeft in het bestreden besluit op deze zienswijze gereageerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
29. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.