ECLI:NL:RBDHA:2026:13160

ECLI:NL:RBDHA:2026:13160

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer NL24.6883 NL24.1599
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Derdelander Oekraïne, toepassingsbereik artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit en implementatie, taalversies, privéleven. Het beroep gericht tegen het besluit van 2024 niet-ontvankelijk. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.6883, NL24.15999

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R.V. Bekker).

Samenvatting

Inleiding

3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Kameroense nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2

4. Op 15 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft hierna het besluit ingetrokken, waarna eiseres dit beroep heeft ingetrokken.

1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.

2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.

5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit twee keer beroep ingesteld. Op 22 februari 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.6883, en op 11 april 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.15999.

6. Op 4 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6884 het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen.

7. Op 14 juli 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2025 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 14 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Lacin als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep met zaaknummer NL24.15999
Privéleven

Ontvankelijkheid

Het beroep met zaaknummer NL24.6883

9. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 14 juli 2025. Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2025 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.

10. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van

7 februari 2024. Vanwege het al eerder ingediende beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, is het voor de tweede keer ingediende beroep niet-ontvankelijk.

De beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank.

Toepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en implementatie

11. Eiseres voert in beroep -kort samengevat- aan dat eiseres niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiseres mag de minister

3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.

niet als vereiste stellen dat zij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, dit niet als vereiste is opgenomen. Eiseres stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Eiseres stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiseres dat voor het terugkeerbesluit van 13 augustus 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt. Ter onderbouwing heeft eiseres een beëdigde vertaling van de Zweedse versie van het Uitvoeringsbesluit overgelegd, en een verklaring van een beëindigd vertaler met betrekking tot de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit.

12. In artikel 5, derde lid, van de RTB zijn de voorwaarden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.

13. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen. Ook kan één taalversie niet prevaleren boven de andere taalversies.4 Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht, moet bij de uitlegging van deze bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.5

14. De rechtbank stelt vast dat de Zweedse tekst van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet afwijkt van die van de Nederlandse tekst, waarin voor het in aanmerking komen van tijdelijke bescherming als vereiste is gesteld dat de vreemdeling over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikt. Dat in de considerans van de Zweedse taalversie het woord ‘permanent’ ontbreekt, betekent niet dat dit vereiste niet geldt.

15. In de zienswijze heeft eiseres een vertaling opgenomen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit deze vertaling blijkt dat voor tijdelijke bescherming alleen legaal verblijf als vereist is gesteld. In beroep heeft eiseres een verklaring van een beëdigd vertaler overgelegd waarmee zij dit heeft willen bevestigen. De omstandigheid dat er in de overgelegde Hongaarse vertaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ‘het permanent verblijf’ niet als vereiste is opgenomen, vormt een

4 Zie in dit kader bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 november 1998, ECLI:EU:C:1998:536.

5 Zie in dit kader het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197.

onvoldoende onderbouwing om niet uit te gaan van de andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit, waaronder de Nederlandse. In de Nederlandse versie staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning. Deze versie komt overeen met de andere taalversies, zoals die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit. In overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en de facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor deze laatste groep melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. In de Hongaarse vertaling van de considerans is in overwegingen 12 en 13 eveneens onderscheid gemaakt tussen derdelanders met een permanente en met een tijdelijke verblijfsvergunning, hetgeen er ook op wijst dat onderscheid bestaat tussen deze twee groepen. Dat voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sprake moet zijn van permanent verblijf is ook terug te lezen in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024.6

16. Het vorenstaande leidt er toe dat de minister ook niet is gehouden om op grond van artikel 28, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VEU) de uitvoering de RTB aan de Raad voor te leggen, nu niet kan worden gesproken van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook is geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. Eiseres valt wel onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke bescherming is voor eiseres beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.

17. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

18. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.

19. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toepastemming van verblijf, en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn volgt dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt

6 ECLI:EU:C:2024:1038, overwegingen 87 en 88.

7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85.

uit artikel 8 van het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

20. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeldt als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228, dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op het recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.

21. Eiseres heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat zij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbieding van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier ook om een relatief kort verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.

22. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep met zaaknummer NL24.6883 is, voor zo ver het ziet op het besluit van 7 februari 2024, niet-ontvankelijk. Het beroep dat mede is gericht tegen het besluit van

14 juli 2025 is ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL24.15999 is niet-ontvankelijk.

24. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat gericht is tegen het besluit van 7 februari 2024 met zaaknummer NL24.6883, het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van

€ 934,- en een wegingsfactor 1).

25. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.16000 een voorlopige voorziening getroffen. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiseres.

8 ECLI:EU:C:2022:913.

Beslissing

Het beroep met zaaknummer NL24.6883

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 934,-.

Het beroep met zaaknummer NL24.15999

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 januari 2026

Mr. B. Fijnheer W.J.T. Twijnstra

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. Fijnheer

Griffier

  • mr. W.J.T. Twijnstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand