ECLI:NL:RBDHA:2026:13161

ECLI:NL:RBDHA:2026:13161

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer NL25.62524
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Jemen, de minister heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom niet de hoogste gradatie maar een relatief hoger niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Aden, Jemen van toepassing is, motiveringsgebrek, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62524

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom niet de hoogste gradatie maar een relatief hoger niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Aden, Jemen van toepassing is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op een 14 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. Sharbat als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 1996 en behoort tot de Jemenitische bevolkingsgroep. In de periode 2020/2021 is eiser bij een controlepost van de Houthi’s verhoord en aangehouden. Hij heeft vervolgens drie maanden vastgezeten. Een stamhoofd heeft ervoor gezorgd dat eiser vrijkwam. Daarna is eiser staande gehouden bij een controlepost van de Overgangsraad, waarna zijn oom hem te hulp is geschoten. Hierna heeft eiser Jemen tijdelijk verlaten. In dezelfde periode heeft eiser kritische interviews gegeven en is hij daardoor meermaals mishandeld. Daarna is eiser teruggekeerd naar Jemen om een paspoort aan te vragen. Niet lang daarna heeft eiser Jemen definitief verlaten.

Het bestreden besluit

8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Kritische interviews, de daaruit voortvloeiende mishandelingen en de problemen met de Houthi’s en de Overgangsraad.

9. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De kritische interviews, de daaruit voortvloeiende mishandelingen en de problemen met de Houthi’s en de Overgangsraad zijn volgens de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet volledig kunnen onderbouwen met de overgelegde documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval nu eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel en heeft hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij hiervoor geen goede verklaring gegeven. Hiermee voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, c en d, van de Vw.

10. Verder is eiser volgens de minister geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dit omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet zijn te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verder loopt eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor de provincie Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aan. Eiser heeft onvoldoende individuele en persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.

11. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het relaas van eiser over de interviews en de daaruit voortvloeiende problemen met de autoriteiten ongeloofwaardig is. Daarnaast is geoordeeld dat dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, gezien de algemene situatie in Jemen, al dan niet in samenhang met zijn individuele omstandigheden, niet in aanmerking komt voor bescherming. De minister dient uit te leggen waarom de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate kan worden geweten aan het directe handelen van de strijdende partijen. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd.

12. Het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank. Het beroep ziet uitsluitend op de vraag of de minister toereikend heeft gemotiveerd dat eiser, gezien de algemene situatie in Jemen, in samenhang met zijn individuele omstandigheden, niet in aanmerking komt voor bescherming.

Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat in Aden geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld?

Standpunt eiser

13. Eiser voert aan dat de minister de situatie in Jemen onjuist heeft geduid en gewogen. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld en dat ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect door conflictpartijen worden veroorzaakt, bij die beoordeling moeten worden betrokken. Volgens eiser voldoet ook het nadien aangepaste landenbeleid niet aan deze opdracht. Eiser stelt dat de minister met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd welke geweldsgradatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voor Jemen geldt. Volgens eiser is daarbij ten onrechte verwezen naar de bijlage bij de beslisnota van 18 juni 2025, die dateert van vóór de uitspraak van de Afdeling, zodat niet inzichtelijk is hoe rekening is gehouden met het daarin neergelegde beoordelingskader.

14. Daarnaast voert eiser aan dat, hoewel de humanitaire omstandigheden in het nieuwe landenbeleid wel zijn genoemd, onduidelijk is hoe deze omstandigheden in de beoordeling zijn meegewogen. Dat de geweldsgradaties in het herziene beleid veelal naar beneden zijn bijgesteld, vindt eiser onbegrijpelijk, omdat uit de beschikbare landeninformatie, waaronder het algemeen ambtsbericht, volgens hem weinig verbetering blijkt. Daarnaast wijst eiser op recente ontwikkelingen waaruit volgens hem blijkt dat het conflict een nieuwe fase is ingegaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser ook naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2025.

Standpunt minister

15. De minister stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling of in Jemen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, overeenkomstig het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, alle relevante omstandigheden globaal moeten worden beoordeeld. Daarbij wordt niet uitsluitend gekeken naar het aantal burgerslachtoffers, maar ook naar onder meer de intensiteit en duur van het conflict, het organisatieniveau van de strijdende partijen, de geografische omvang van het geweld en de bestemming van een vreemdeling bij terugkeer. Volgens de minister moeten daarbij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ook de humanitaire omstandigheden worden betrokken, voor zover deze het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van conflictpartijen in het kader van een lopend gewapend conflict. Algemene sociaaleconomische problemen, klimaatfactoren en de cumulatieve gevolgen van een langdurige oorlog vallen volgens de minister niet binnen dit beoordelingskader. De minister stelt verder dat humanitaire omstandigheden niet bepalend zijn voor de uitkomst, maar slechts één van de mee te wegen factoren vormen. Op basis van de beschikbare landeninformatie bestaat daarom geen aanleiding om voor Jemen uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij geldt volgens de minister dat de gehanteerde gradaties een beleidsmatig hulpmiddel vormen met ruimte voor een glijdende schaal, waarbij in individuele zaken steeds ook de persoonlijke omstandigheden en eventuele risicoverhogende factoren van de vreemdeling worden betrokken.

16. In Aden – de provincie waar eiser vandaan komt – is volgens de minister sprake van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, maar niet van de hoogste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens de minister blijkt uit het gewijzigde landenbeleid voor Jemen, neergelegd in WBV 2025/20, de Kamerbrief over landenbeleid Jemen van 8 oktober 2025, de Beslisnota en de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’, dat de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. De minister stelt zich daarbij uitdrukkelijk op het standpunt dat in de bijlage van 18 juni 2025 per provincie de artikel 15c-beoordeling uitgebreid uiteen is gezet, evenals de wijze waarop de humanitaire omstandigheden daarbij zijn betrokken. Dat de bijlage dateert van vóór de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 maakt dit volgens de minister niet anders, omdat daarin reeds is toegelicht dat en op welke wijze de humanitaire omstandigheden zijn betrokken. Daarnaast wijst de minister op het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025, waaruit volgt dat zich wel veiligheidsincidenten voordoen, maar dat het aantal burgerslachtoffers beperkt is gebleven. Ook uit recent geraadpleegde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED) over de periode van 1 maart 2025 tot en met 8 april 2026 volgt volgens de minister geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in Aden ten opzichte van de eerdere verslagperiode. De beschikbare informatie geeft daarom geen aanleiding het niveau van willekeurig geweld te wijzigen.

Oordeel rechtbank

17. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft uit het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 afgeleid dat alle relevante omstandigheden ‘globaal’ moeten worden beoordeeld. Volgens de rechtbank suggereert dit een afstandelijke beoordeling. De rechtbank wijst in dit verband op andere taalversies van het arrest. In de Engelse versie wordt gesproken over een ‘comprehensive appraisal of all the relevant circumstances’ maken. De Franse versie heeft het over ‘une prise en compte globale de toutes les circonstances’ en de Duitse versie over ‘eine umfassende Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls’. Deze formuleringen duiden op een integrale en indringende beoordeling van alle relevante omstandigheden.

18. Het door de minister gehanteerde uitgangspunt van een “globale” beoordeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet als ‘comprehensive appraisal’ worden aangemerkt. Door uit te gaan van een globale weging bestaat het risico dat niet alle relevante omstandigheden, waaronder de humanitaire omstandigheden, voldoende indringend worden betrokken. Een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden brengt immers met zich dat alle omstandigheden worden meegewogen en het relatieve gewicht van elke omstandigheid afhankelijk is van de mate waarin deze omstandigheden bijdragen aan willekeurig geweld en burgerslachtoffers. De rechtbank sluit in haar beoordeling aan bij de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 14 april 2026.

19. Tegen deze achtergrond betrekt de rechtbank de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’ van 18 juni 2025 en de daarbij behorende stukken in haar beoordeling. In de bijlage is wel een overzicht opgenomen van de humanitaire situatie in Jemen van 2008 tot heden. Daarin staat onder meer dat de humanitaire situatie door het conflict is verergerd. Zo leidde de escalatie in de Rode Zee tot een daling van het aantal vrachtschepen dat Jemen aandeed, terwijl het land voor de voedselvoorziening in grote mate afhankelijk is van import. Ook kampt Jemen met aanhoudende voedselonzekerheid. Verder blijkt dat strijdende partijen oorlogsmethoden gebruikten die invloed hadden op de toegang tot water en voedsel. Uit de bijlage en de daarbij behorende stukken blijkt echter niet op welke wijze de minister deze humanitaire omstandigheden, als direct of indirect gevolg van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld, heeft meegewogen in de beoordeling van Aden, dan wel het regeringsgebied waarvan Aden deel uitmaakt.

20. Verder staat onder het kopje ‘conclusie 15c beoordeling’ in de bijlage van 18 juni 2025 enkel ‘uit het ambtsbericht blijkt (…).’ De informatie over de humanitaire situatie die daaraan voorafgaat en waarin naar verschillende bronnen wordt verwezen, komt in die conclusie niet meer terug. De bijlage lijkt zich daarmee vooral te baseren op het Algemeen Ambtsbericht Jemen april 2025 en niet op alle andere informatie die eerder in de bijlage is uiteengezet. Voor de rechtbank is daarom onduidelijk of die informatie daadwerkelijk is betrokken bij de beoordeling op grond van artikel 15 onderdeel c. De rechtbank merkt verder op dat de minister in het verweerschrift heeft gesteld dat Aden in het Algemeen Ambtsbericht Jemen april 2025 niet wordt genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. Deze informatie gebruikt de minister ter onderbouwing van zijn standpunt dat de humanitaire situatie in Aden niet is verslechterd en daarom geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister daarbij niet alle relevante informatie heeft betrokken. In dezelfde passage uit het Algemeen Ambtsbericht staat namelijk dat het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie in december 2024 zowel in regeringsgebied, waartoe Aden behoort, als in Houthi-gebied was gestegen ten opzichte van begin 2024.

21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, vindt de rechtbank de discussie over de datering van de bijlage bij de beslisnota van 18 juni 2025 niet langer relevant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet op deugdelijke wijze en conform het arrest CF en DN de humanitaire omstandigheden betrokken in de beoordeling of er in Jemen – specifiek in de provincie Aden – sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld.

Risico voor terugkeerders om als verrader te worden aangemerkt

22. Eiser voert aan dat de minister eraan voorbijgaat dat personen die terugkeren uit de Golfstaten, Europa, Tahama of Al Hudaydah een verhoogd risico lopen bij terugkeer naar Jemen. Volgens eiser bestaat er een incompleet beeld over de situatie van terugkeerders. Terugkeerders zouden door de Houthi’s als verraders kunnen worden aangemerkt. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat deze stelling niet specifiek op hem persoonlijk ziet, maar op terugkeerders naar Jemen in het algemeen.

22. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft deze stelling noch in de beroepsgronden, noch ter zitting nader onderbouwd met objectieve landeninformatie. Daarom zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister dit aspect ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij komt dat eiser zelf tijdens de zitting heeft verklaard dat zijn stelling niet ziet op zijn individuele situatie, maar op terugkeerders in algemene zin. Zonder nadere onderbouwing valt daarom niet in te zien dat juist eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om door de Houthi’s als verrader te worden beschouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

24. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

25. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

26. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Catsburg

Griffier

  • mr. N.B. Tool

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand