RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7800
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Najjar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is afkomstig uit Syrië. De minister heeft in zijn beleid en ook in het bestreden besluit opgenomen dat bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico bestaat op ernstige schade omdat in heel Syrië sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Er is dan geen reëel risico op het lijden van ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij dit artikel gaat het erom of eiser bij terugkeer naar Syrië vanwege willekeurig geweld gevaar loopt voor zijn leven of persoon. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam).
3. De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel. De minister heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat in ieder geval gekeken kan worden naar de situatie in [plaats] . De minister heeft wel gesteld maar niet nader onderbouwd dat daar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarnaast volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië januari 2026 dat nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van het laagste niveau van willekeurig geweld. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de eerder genoemde uitspraken.
4. De beroepsgrond over artikel 15 onder c van de Kwalificatierichtlijn slaagt. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 1 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.