ECLI:NL:RBDHA:2026:13198

ECLI:NL:RBDHA:2026:13198

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer NL25.57924
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Samenvatting zaak: De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser over de problemen met zijn oom niet geloofwaardig zijn. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer naar Gambia niet zwaarwegend is. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister voldoende uitgelegd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Door de afwijzing van de asielaanvragen is geen sprake van scheiding van het gezinsleven. Het is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eisers toenmalige partner en dochter niet met eiser mee kunnen naar Gambia of dat zij niet ergens anders buiten Nederland hun gezinsleven kunnen voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.57924

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

(gemachtigde: mr. T. Tichelaar).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Hij voert aan dat de minister ten onrechte de problemen met zijn oom ongeloofwaardig vindt. Verder voert eiser aan dat de discriminatie vanwege zijn etniciteit voldoende zwaarwegend is om een asielvergunning te krijgen. Ook voert eiser aan dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Tot slot voert eiser aan dat de minister gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om hem een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser over de problemen met zijn oom niet geloofwaardig zijn. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer naar Gambia niet zwaarwegend is. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister voldoende uitgelegd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Onder 4 staat het procesverloop. Onder 5. en 6. staat een samenvatting van het asielrelaas en wat de minister hiervan vindt. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de beroepsgronden zoals hiervoor vermeld. Aan het eind van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. Khokhar als tolk, de gemachtigde van de minister en de voormalige partner van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard de Gambiaanse nationaliteit te hebben en tot zowel de Wolof als de Sose bevolkingsgroep te behoren. In Gambia woonde eiser bij zijn oom. Hij had problemen met zijn oom. Zijn oom behandelde hem slecht en mishandelde hem. Daarom (en omdat hij tuberculose had) heeft eiser Gambia in 2013 verlaten en is op Malta terecht gekomen. Hier heeft hij zijn huidige (inmiddels ex-)partner ontmoet met wie hij in 2019 een dochter heeft gekregen. Vanwege de geboorte van zijn dochter kreeg hij opnieuw problemen met zijn oom, omdat hij een kind heeft gekregen terwijl hij nog niet getrouwd was. Zijn oom is eiser gaan bedreigen met de dood. Eiser is toen gevlucht naar Nederland. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Gambia gediscrimineerd wordt vanwege zijn etniciteit en niet zomaar kan trouwen met wie hij wil.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit, herkomst en de discriminatie vanwege eisers etniciteit geloofwaardig zijn. De problemen met eisers oom vindt de minister niet geloofwaardig. De minister concludeert dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De vrees voor discriminatie vanwege eisers etniciteit, vindt de minister niet zwaarwegend genoeg.

Heeft de minister de problemen met eisers oom ongeloofwaardig mogen vinden?

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser over de problemen met zijn oom niet geloofwaardig zijn.

Allereerst is van belang dat de minister heeft mogen uitgaan van de verklaringen van eiser zoals vermeld in het verslag van het nader gehoor. Tijdens het gehoor is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Eiser stelt dat de minister de samenwerkingsverplichting heeft geschonden, omdat hij zou hebben nagelaten moeite te doen om goede verklaringen uit eiser te krijgen over de problemen met zijn oom. Dat ziet de rechtbank anders. Uit het verslag blijkt dat de hoor-medewerker op bepaalde punten heeft doorgevraagd. Door de hoor-medewerker is ook meermaals gevraagd naar de mishandelingen door de oom. De vragen zijn op verschillende manieren gesteld en de hoor-medewerker heeft gewezen op het belang om concrete antwoorden te geven. Dit volgt ook uit het verslag van het nader gehoor. Als eiser vragen niet begreep of verduidelijking nodig had, had hij dit moeten en kunnen aangeven. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. Daarnaast is eiser in de mogelijkheid gesteld om correcties en aanvullingen te geven op het verslag van het nader gehoor. Dat heeft eiser ook gedaan, maar op de verklaringen over de problemen met zijn oom die bij de beoordeling van de geloofwaardigheid zijn betrokken, heeft hij geen correcties en aanvullingen ingediend.

Verder heeft de minister in het voornemen en het bestreden besluit voldoende uitgelegd waarom hij de verklaringen van eiser over de problemen met zijn oom niet geloofwaardig vindt. De rechtbank ziet hierin geen motiveringsgebrek. Dat tijdens het gehoor zou zijn gevraagd naar de ‘mishandelingen’ en in het besluit wordt gesproken over ‘bedreigingen’, maakt niet dat de minister een andere conclusie heeft moeten trekken. Ook eisers litteken -die zijn verklaringen over de mishandeling door zijn oom zouden onderbouwen- maakt niet dat de minister het relaas geloofwaardig heeft moeten vinden. Daarbij merkt de rechtbank op dat -zoals in het bestreden besluit staat vermeld- een litteken een bepaalde verklaring niet kan bewijzen. Het kan enkel ondersteunend zijn aan die verklaring.

Dat partijen verschillen van mening over de relevantie van de vraag hoe eisers oom op de hoogte is gekomen van de geboorte van eisers dochter, biedt geen aanleiding voor een andere conclusie. De minister heeft namelijk de verklaringen van eiser over wanneer de bedreigingen weer zijn begonnen inconsistent mogen vinden. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat de bedreigingen (van zijn oom) weer zijn begonnen toen hij een kind kreeg. Anderzijds heeft eiser verklaard het niet meer precies te weten en ook geen inschatting kan maken. Ook heeft eiser verklaard dat de bedreigingen in 2020 zijn begonnen, terwijl zijn dochter in 2019 is geboren. Aan deze inconsistente verklaringen heeft de minister gewicht mogen toekennen.

Eiser verwijst naar twee uitspraken van deze rechtbank waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitkomst van deze prejudiciële vragen af te wachten. De rechtbank kan in dit geval ook zonder het antwoord op de prejudiciële vragen van 7 januari 2025 uitspraak doen. Verder zijn de prejudiciële vragen van 11 maart 2025 niet relevant voor het beroep van eiser. In die zaak was sprake van een reële dreiging die door de rechtbank geloofwaardig werd geacht. De prejudiciële vragen gingen daarom in op de kwestie of de rechtbank zelf een inhoudelijk oordeel over het asielrelaas mag geven. Daarvan is hier geen sprake.

Heeft de minister de discriminatie vanwege eisers etniciteit onvoldoende zwaarwegend mogen vinden?

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer naar Gambia niet zwaarwegend is. Ondanks dat in het bestreden besluit staat dat in de zienswijze niet wordt ingegaan op de beoordeling van de discriminatie jegens eisers, is de minister hier in het bestreden besluit wel inhoudelijk op ingegaan. Zo staat in het bestreden besluit dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij te maken heeft gehad met problemen vanwege de discriminatie waardoor het voor hem onmogelijk is om op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren in Gambia. Zo heeft hij bijvoorbeeld verklaard dat hij toegang had tot medische zorg. Dit heeft de minister relevant mogen vinden. De enkele stelling dat eiser niet vrijelijk mag kiezen met wie hij wil trouwen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Eiser heeft deze stelling ook niet onderbouwd. Zoals de minister heeft opgemerkt, is het onduidelijk wat eiser hiermee wil bereiken nu hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Voor zover eiser stelt dat ook moet worden gekeken naar discriminatie jegens hem in Mexico (het land van de nationaliteit van zijn ex-partner en dochter), wordt dit niet gevolgd. Het asielmotief van eiser wordt getoetst aan het land van herkomst, Gambia in dit geval. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om het asielmotief te toetsen aan Mexico.

Heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond?

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 1 februari 2023 naar Nederland gekomen en heeft pas op 30 maart 2023 asiel aangevraagd.

Eiser heeft uitleg gegeven waarom hij niet meteen na binnenkomst asiel heeft aangevraagd. Voor zijn komst naar Nederland was eiser met zijn toenmalige partner in gesprek over waar zij hun familieleven zouden uitoefenen. Eiser verbleef namelijk in Malta. Zijn toenmalige partner en dochter verbleven in Mexico, omdat zij er in Covidtijd voor heeft gekozen om daar te bevallen. Voordat zij een beslissing hadden genomen, moest eiser vanwege zijn gestelde problemen Malta noodgedwongen verlaten. Na zijn komst in Nederland is eiser gearresteerd en in detentie geplaatst. Eiser vond het lastig om asiel aan te vragen bij de autoriteiten die hem in detentie hebben geplaatst. Toen hij werd vrijgelaten, heeft hij gewacht tot zijn toenmalige partner en dochter in Nederland waren om samen met hen asiel aan te vragen. Zij kwamen op 28 maart 2023 in Nederland aan.

De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de bovengenoemde uitleg geen verschonende omstandigheden zijn voor het feit dat eiser op 1 februari 2023 Nederland is ingereisd en pas op 30 maart 2023 zijn asielaanvraag heeft ingediend. Van iemand die stelt gevaar te lopen en daarom bescherming nodig heeft in een ander land mag worden verwacht dat hij zich zo snel mogelijk meldt bij de autoriteiten. Dat eiser in detentie heeft gezeten en daarom de Nederlandse autoriteiten niet vertrouwde, is geen reden om niet zo snel mogelijk asiel aan te vragen. Daar komt bij dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij na binnenkomst in Nederland in detentie is geplaatst. De minister heeft op de zitting -na raadpleging van zijn systeem- toegelicht dat aan eiser op 13 februari 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, maar niet dat hij in Nederland in detentie heeft gezeten. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die uitleg te twijfelen. Dat eiser graag samen met zijn toenmalige partner en dochter asiel wilde aanvragen, is ook geen verschoonbare reden. Zoals de minister heeft opgemerkt in het bestreden besluit, had eiser bij de autoriteiten kunnen aangeven dat zijn toenmalige partner en dochter nog naar Nederland zouden komen en dat hij graag samen met hen asiel aan zou willen vragen. Volgens de minister zou hier dan rekening mee worden gehouden.

Had de minister gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM?

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft uitgelegd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eiser een regulier verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarvoor is het volgende van belang.

Uit rechtspraak kan worden afgeleid dat artikel 8 van het EVRM geen algemene verplichting voor een staat inhoudt om de woonplaatskeuze van de leden van een familie of gezin te eerbiedigen. Verder is geen sprake van een schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als (1) de beoogde verwijdering het gehele kerngezin of de kernfamilie betreft, (2) van rechtmatig verblijf van de leden van dit gezin of die familie geen sprake (meer) is en (3) de gezins- of familieleden niet als gevolg van deze verwijdering van elkaar zullen worden gescheiden.

Het is niet langer in geschil dat tussen eiser, zijn toenmalige partner en dochter sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zoals in het bestreden besluit staat vermeld, zijn de asielaanvragen van eiser, zijn toenmalige partner en hun dochter afgewezen. Zij hebben geen recht om in Nederland te blijven. Ook hebben zij geen rechtmatig verblijf gehad op grond van een verblijfsvergunning. Allemaal moeten zij Nederland verlaten. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat door de afwijzing van de asielaanvragen geen sprake is van scheiding van het gezinsleven. Het is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eisers toenmalige partner en dochter niet met eiser mee kunnen naar Gambia of dat zij niet ergens anders buiten Nederland hun gezinsleven kunnen voortzetten. Daarmee is ook niet aannemelijk geworden dat de dochter niet met beide ouders kan opgroeien. Wat eiser heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de minister verplicht was om het verblijf van eiser en de moeder van zijn dochter vanwege artikel 8 van het EVRM toe te staan.

Voor wat betreft het gestelde opgebouwde privéleven wordt overwogen dat wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en ook niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Gambia. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.J. Blok

Griffier

  • mr. S. Westerhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand