Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/257429-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie],
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Heemskerk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
1op of omstreeks 6 augustus 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen bij een woning en/of het perceel gelegen op/aan de [adres], terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten goederen welke zich in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning op genoemd perceel bevonden te duchten wasen/of,- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten personen welke zich in of in de onmiddellijke nabijheid van en/of in de woning op genoemd perceel bevonden te duchten was* naar voornoemde woning en/of perceel is gegaan en/of,* een explosief (te weten een cobra 6, samengebonden met twee bussen haarlak en een fles met een brandbare vloeistof) aan heeft gestoken en/of,* dit explosief over de schutting op het voornoemde perceel heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 6 augustus 2024 te Voorburg ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- een aansteker, en/of- een geïmproviseerd explosief (een cobra 6, samengebonden met twee bussen haarlak en een fles met een brandbare vloeistof) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
2op of omstreeks 6 augustus 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten eengeïmproviseerd explosief (een vuurwerkbrandstofcombinatie van een cobra 6, samengebonden met twee bussen haarlak en een fles met een brandbare vloeistof),zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en voor het tweede ten laste gelegde feit.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Ten aanzien van het voorwaardelijk strafdeel heeft de officier van justitie een proeftijd van twee jaren gevorderd, met oplegging van reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak gevraagd wegens gebrek aan bewijs. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit onder 1, omdat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1, primair
Vast staat dat in de nacht van 6 augustus 2024 in de tuin van de woning van de aangever in Voorburg een geïmproviseerd explosief is gegooid dat voortijdig is uitgedoofd. Op basis van de op de camerabeelden weergegeven tijdsaanduiding is de politie bij het onderzoek ervan uitgegaan dat het explosief om 03:01 uur in de tuin van de aangever is gegooid.
Na onderzoek bleek het explosief te bestaan uit een cobra 6, een met benzine gevulde fles en twee bussen haarlak, bij elkaar gebonden met ducttape. Op de ducttape op de fles en de spuitbussen zijn DNA-mengprofielen aangetroffen afkomstig van drie donoren. Uit het forensisch onderzoek volgt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat van elk van deze DNA-mengprofielen een van deze drie donoren de verdachte betreft, dan een willekeurig andere persoon.
Het onderzoek heeft zich vervolgens gericht op de verdachte, waarbij gekeken is naar zijn bankrekening. Daarop bleek in de nacht van 6 augustus 2024 een geldbedrag van 20 euro te zijn bijgeschreven met de omschrijving ‘Tikkie tanken’. Dit zou volgens de politie zijn gebeurd vόόr het feit, om 02:50 uur. De combinatie van deze onderzoeksgegevens, te weten het tijdstip van het gooien van de explosie in combinatie met het tijdstip van de bijschrijving, is redengevend geweest om ernstige bezwaren tegen de verdachte aan te nemen.
Uit door de verdediging ter zitting overgelegde bankafschriften van de verdachte kan evenwel worden afgeleid, dat de verdachte die nacht niet voor 3:01 uur heeft getankt maar pas om 03:26 uur. Dit tijdstip ligt ná het moment waarop het ten laste gelegde feit zich zou hebben voorgedaan.
Daar komt bij dat de politie bij het uitkijken van de camerabeelden van het incident kennelijk niet heeft onderzocht of de tijdsaanduiding op die beelden overeenkwam met de daadwerkelijke tijd, daar is in ieder geval geen melding van gemaakt. De enkele mededeling van de officier van justitie neergelegd in een proces-verbaal dat de camera mogelijk niet op de juiste tijd was ingesteld geeft onvoldoende houvast voor een andere vaststelling van een tijdstip waarop het explosief is afgegaan.
Dan blijft over het enkele gegeven dat DNA van de verdachte is aangetroffen op de ducttape waarmee het explosief was omwikkeld. De rechtbank merkt op dat de verdachte pas ruim een jaar na de datum van het hem verweten feit hierover is gehoord. Daarbij valt op dat de verdachte in zijn verhoor mee heeft gedacht met de politie hoe zijn DNA mogelijk op die ducttape is terechtgekomen en daarvoor een suggestie heeft gedaan. Ook op zitting heeft de verdachte dezelfde open houding getoond. Al met al kan de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet buiten gerede twijfel vaststellen dat het de verdachte is geweest die het explosief in de tuin heeft gegooid.
Dat betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken voor het hem onder feit 1 primair ten laste gelegde feit.
Feit 1 subsidiair en feit 2
De verdachte wordt eveneens (subsidiair) verweten, dat hij op of omstreeks 6 augustus 2024 in Voorburg het explosief voorhanden heeft gehad. Gezien de drie DNA-sporen die zijn aangetroffen op het explosief zou kunnen worden aangenomen, dat de verdachte het explosief in handen heeft gehad. De rechtbank kan evenwel niet buiten gerede twijfel vaststellen of dat is gebeurd op of omstreeks 6 augustus 2024 in Voorburg. Het dossier biedt daarvoor geen, dan wel onvoldoende, aanknopingspunten. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor het hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde.
Conclusie: vrijspraak
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de verdachte integraal vrijspreken van de aan hem ten laste gelegde feiten.
4. De vorderingen van de benadeelde partijen
Er hebben zich in deze zaak drie benadeelde partijen gevoegd in het strafproces:
Alle benadeelde partijen vorderen de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van de vordering van de heer [benadeelde 1] voor zover deze vordering ziet op vergoeding van de materiële schade nu voor dat deel van de vordering het causaal verband zou ontbreken. De officier van justitie heeft daarom verzocht de heer [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in dat deel van zijn vordering. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding die betrekking heeft op de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat de benadeelde partijen recht hebben op passende bedragen, waarbij de schadevergoeding van mevrouw [benadeelde 2] zou moeten aansluiten bij de bedragen die aan de heren [benadeelde 1] en [benadeelde 3] worden toegekend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard nu vrijspraak wordt verzocht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte per 13 januari 2026, het daartoe strekkende bevel is apart opgemaakt;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.