Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en vervangende toestemming
Beschikking op het op 10 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Jonkman te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
Op 7 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
- in de even weken van zondag 12.00 uur tot dinsdag 17.30 uur;
- in de oneven weken van zaterdag 12.00 uur tot dinsdag 17.30 uur;
- waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder en op dinsdag weer terugbrengt bij de moeder;
- vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven op een school in de omgeving [stadsdeel] ;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarbij verzoekt hij zelfstandig:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Zorgregeling
Zowel de vader als de moeder heeft een verzoek gedaan met betrekking tot de zorgregeling. Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen op dit moment uitvoering geven aan een regeling waarbij [minderjarige] de ene week van zaterdag 12.00 uur tot dinsdag eind van de dag bij de vader is, en de andere week van zondag 12.00 uur tot dinsdag eind van de dag. De moeder verzoekt deze regeling vast te leggen, met als eindtijd op dinsdag 17.30 uur. De vader verzoekt uitbreiding van de regeling.
De rechtbank zal de huidige regeling uitbreiden in die zin dat [minderjarige] om de week, in de oneven weken, op vrijdag vanuit school naar de vader zal gaan. Door de vader is naar voren gebracht dat [minderjarige] eerder altijd op de woensdag bij hem was, maar dat die dag er vanaf is gegaan. De vader wil graag dat hij die tijd met [minderjarige] terugkrijgt. De moeder heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een extra vrijdag om de week. Partijen zijn het op dit punt dus ter zitting eens geworden. Dit betekent dat [minderjarige] bij de vader zal zijn in de even weken van zondag 12.00 uur tot dinsdag 17.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder. In de oneven weken is [minderjarige] bij de vader van vrijdag uit school tot dinsdag 17.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] uit school haalt. De rechtbank acht het redelijk om de verantwoordelijkheid voor het halen en brengen te delen zodat de rechtbank zal bepalen, zoals de vader heeft verzocht, dat de moeder [minderjarige] op de dinsdagen weer bij de vader ophaalt.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de ouders dit in onderling overleg bij helfte zullen delen. Beide ouders hebben op de zitting namelijk aangegeven dat zij dit samen in overleg kunnen regelen.
(vervangende toestemming inschrijving) school
De moeder wil dat [minderjarige] ingeschreven wordt op een basisschool in de omgeving [stadsdeel] . Zij voert daartoe verkort weergegeven het volgende aan. De school die zij op het oog heeft is in de buurt van haar woon- en werkomgeving, waardoor zij snel bij [minderjarige] kan zijn als er iets aan de hand is. Omdat de vader geen vaste werklocatie heeft, is hij minder beschikbaar voor dat soort momenten. Het is daarom beter [minderjarige] in haar woon- en werkomgeving naar school te laten gaan. Dit is overigens ook de woonomgeving van [minderjarige] zelf. Omdat het de ouders niet lukt om het samen eens te worden over de school, verzoekt zij vervangende toestemming voor de inschrijving.
De vader verweert zich tegen het verzoek van de moeder en voert in dat verband – kort weergegeven – het volgende aan. Partijen hebben samen afgesproken dat [minderjarige] naar [basisschool] zal gaan. Zij hebben hem daar al ingeschreven en zij zijn op 25 maart 2026 ook al naar de school geweest voor een kennismaking. [minderjarige] weet er ook van, hij weet niet beter dan dat [basisschool] zijn nieuwe school wordt. [minderjarige] kan per 12 mei 2026 starten in een instroomgroep. De vader vindt het erg belangrijk dat de moeder zich aan de gemaakte afspraak houdt zodat [minderjarige] gewoon naar [basisschool] gaat. Dit is gelet op zijn reistijd in de ochtend ook fijner. Vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] rijden is namelijk een stuk drukker dan vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] . Tot slot is van belang dat de moeder op dit moment bij haar moeder inwoont, en dat het nog onduidelijk is waar zij uiteindelijk een woning zal krijgen. Op termijn zal zij verhuizen, dus de nabijheid van school bij haar woning is in de toekomst onzeker. De vader heeft al een eigen woning en is niet van plan te verhuizen. [minderjarige] kan daarom in de buurt van het huis van de vader, waar hij ook veel verblijft, naar school blijven gaan. De vader verzoekt gelet op het voorgaande te bepalen dat [minderjarige] naar [basisschool] zal gaan.
De rechtbank overweegt dat het gebruikelijk en in beginsel in het belang van een kind is dat het naar een school gaat in de buurt van waar hij of zij doordeweeks het meeste verblijft. Volgens de hiervoor bepaalde zorgregeling is er echter geen sprake van een situatie dat [minderjarige] (substantieel) meer bij de ene of de andere ouder verblijft. [minderjarige] verblijft immers op maandag en dinsdag bij de vader, woensdag en donderdag bij de moeder en eens in de twee weken op vrijdag bij de vader. Dit betekent dat [minderjarige] op de schooldagen een gelijk aantal dagen bij ieder van de ouders doorbrengt. Beide ouders hebben op de zitting ook aangegeven dat zij streven naar een gelijkwaardige verdeling in tijd en zorg. De rechtbank zal de beslissing over de school dan ook niet hierop baseren. De rechtbank ziet aanleiding om bij de beoordeling aan te sluiten bij wat de ouders hebben besproken over de schoolkeuze en licht dit als volgt toe. De ouders hebben samen afgesproken dat [minderjarige] naar [basisschool] zal gaan. De moeder heeft aangegeven dat dit slechts een voorwaardelijke afspraak was, namelijk onder voorwaarde dat de relatie tussen ouders in stand zou blijven. De moeder heeft aangegeven dat zij niet meer aan die afspraak kan worden gehouden, nu partijen definitief uit elkaar zijn en zij niet meer bij de vader woont. De rechtbank volgt de moeder hierin niet. Hoewel het mogelijk juist is dat de moeder ten tijde van de inschrijving van [minderjarige] op de school [basisschool] had verwacht bij de vader te zullen blijven, is onvoldoende gesteld of gebleken dat partijen de inschrijving als voorwaardelijk hebben bedoeld. [minderjarige] staat ingeschreven om daadwerkelijk op 12 mei 2026 te beginnen. Dat de relatie tussen de ouders nu definitief verbroken is, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de gelijke verdeling van de zorg, ook geen omstandigheid waardoor nu van die afspraak zou moeten worden afgeweken. [minderjarige] is al op die school gaan kijken en weet dat hij daar naartoe zal gaan. De moeder heeft nog aangevoerd dat zij beter dan de vader in staat zou zijn om [minderjarige] op te halen in verband met calamiteiten, omdat zij dicht bij de school werkt. De rechtbank volgt de moeder hierin niet. Vaststaat dat de vader in de buurt van [basisschool] woont en verder heeft hij aangegeven dat hij als zelfstandig ondernemer flexibel is om [minderjarige] indien nodig op te halen. Een omstandigheid die de rechtbank ook betrekt bij de beoordeling is dat van vader gelet op zijn eigen woning vast staat dat hij daar gedurende lange tijd zal (kunnen blijven) wonen. Bij de moeder – die nu nog inwoont bij haar moeder – is het nog niet duidelijk waar zij op de langere termijn een woning zal vinden. Zij heeft bovendien, wanneer zij een eigen woning wil gaan betrekken, nog de optie om te zoeken naar een woning die in de buurt van de school van [minderjarige] gelegen is. Alles overwegende zal de rechtbank daarom het verzoek van de moeder afwijzen en bepalen dat [minderjarige] , zoals door de vader verzocht en conform de afspraak van de ouders, naar [basisschool] zal gaan.
Hoofdverblijfplaats
De moeder verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, omdat zij stelt degene te zijn die de dagelijkse zorg op zich neemt en zorg draagt voor de praktische organisatie van het leven van [minderjarige] . De moeder vindt het daarom passend de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen.
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen alleen gedaan heeft omdat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] naar basisschool [basisschool] zal gaan. Als [minderjarige] naar [basisschool] gaat, vindt hij het goed als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald wordt.
Gelet op wat de vader heeft aangegeven en omdat de rechtbank zijn verzoek met betrekking tot de school heeft toegewezen, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
bepaalt dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
bepaalt dat [minderjarige] naar [basisschool] zal gaan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.