Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 19 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hier desgevraagd mee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:
Verzoek en het advies van de Staat
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Gelet op de stukken, zal de rechtbank alleen de Palestijnse gebieden bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. Vanwege de korte verblijfsduur van verzoekster in Egypte, Turkije, Griekenland, Italië en Luxemburg, zal de rechtbank deze landen niet bij de beoordeling betrekken. De rechtbank heeft verder geen aanwijzingen dat verzoekster nog een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Zoals verzoekster en de Staat ook van mening zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de stukken aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op al het voorgaande, de staatloosheid van verzoekster vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.