RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27977
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft op 8 april 2026 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 18 mei 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker arbeid mag verrichten bij zijn [werkgever] te [plaats] tijdens de bezwaarfase.
Verweerder heeft op 20 mei 2026 een verweerschrift ingediend. Daaruit volgt dat verweerder zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dat verzoek gericht is op het mogen blijven werken gedurende de bezwaarfase.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2. Bij brief van 20 mei 2026 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.
3. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen alsof hij in bezit is van de verzochte vergunning. Dat betekent dat hij in Nederland mag verblijven en mag werken bij zijn werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200 aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door op 21 mei 2026 mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.