RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24883
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd, waarin is opgenomen dat eiser aan de autoriteiten van Bulgarije zal worden overgedragen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Iraakse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening een overdrachtsbesluit opgelegd. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 29 mei 2025 in Bulgarije al een asielaanvraag had ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Bulgaarse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Bulgaarse autoriteiten hebben dit verzoek op 27 april 2026 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst daarbij naar het AIDA-rapport van 2025, waaruit volgt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, in het bijzonder voor Dublinclaimanten. Volgens eiser bestaat een reëel risico dat hij na overdracht geen toegang tot opvang zal krijgen en op straat terechtkomt. Daarnaast is eiser ten onrechte niet gehoord over zijn ervaringen in Bulgarije. Gelet hierop had verweerder aanleiding moeten zien om de overdracht achterwege te laten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Bij uitspraken van 23 oktober 2024, 29 november 2024, 23 december 2024 en 9 januari 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ook bij een zelfstandig overdrachtsbesluit moet beoordelen of de overdracht niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Verweerder moet een vreemdeling daarom voorafgaand aan het nemen van een overdrachtsbesluit in de gelegenheid stellen om zijn bezwaren tegen een overdracht kenbaar te maken.
5. Verweerder heeft eiser voorafgaand aan het overdrachtsbesluit niet in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije naar voren te brengen. Het vertrekgesprek van 28 april 2026 is daarvoor onvoldoende. In dit kader verwijst de rechtbank naar de voormelde uitspraak van de Afdeling van 29 november 2024. In het vertrekgesprek is weliswaar aan eiser meegedeeld dat Bulgarije mogelijk de verantwoordelijkheid draagt voor zijn procedure en dat Nederland niet aan terugkeer zal werken naar Irak, maar naar Bulgarije. Aan eiser is vervolgens gevraagd wat hij hiervan vindt. Eiser heeft vervolgens verklaard liever te willen vertrekken naar zijn land van herkomst dan naar Bulgarije. Verweerder heeft verzuimd hier verder navraag naar te doen. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 28 april 2026 blijkt evenmin dat het voor eiser duidelijk was dat hij zijn standpunten in het kader van artikel 4 van het Handvest kenbaar kon maken en dat daarover is doorgevraagd. De beroepsgrond slaagt.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd in de beroepsgronden behoeft dan ook geen nadere bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.