ECLI:NL:RBDHA:2026:13485

ECLI:NL:RBDHA:2026:13485

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL25.14301
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Samenvatting: mvv gezinsleven, belangenafweging in nadeel van eiseres

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.14301

[eiser] en [eiseres], V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eisersmede namens hun minderjarige kinderen[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] ,

[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

(gemachtigde: R.A. Mandersloot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [Referente] ’. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben mede namens hun minderjarige kinderen een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij hun (schoon)zus [Referente] (referente) hier in Nederland. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 23 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eisers, S.M. Razaghi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de aanvraag over en waarom is die afgewezen?

3. Referente heeft de Afghaanse nationaliteit en is in 2021 als alleenstaande minderjarige vreemdeling naar Nederland gekomen en heeft een asielvergunning gekregen. Zij verblijft hier inmiddels samen met haar moeder. Verder verblijven ook een broer en twee zussen van referente in Nederland. Referente heeft een aanvraag voor een mvv voor haar (oudste) broer en schoonzus en hun twee kinderen (eisers) ingediend voor verblijf op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat artikel 8 van het EVRM volgens hem niet noopt tot het toestaan van verblijf aan eisers. Wat betreft de aannemelijkheid van de identiteit van eisers en hun familierechtelijke relatie met referente heeft de minister eisers het voordeel van de twijfel gegeven, omdat gelet op de situatie in Afghanistan niet van hen kan worden gevraagd om (aanvullende) documenten ter onderbouwing van die relatie aan te leveren. De minister neemt daarom familieleven aan tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van het EVRM. De door de minister gemaakte belangenafweging tussen de belangen van de Nederlandse staat en het belang van referente om het gezinsleven met eisers in Nederland uit te oefenen, valt echter in het nadeel van eisers uit. Volgens de minister wegen de belangen van de Nederlandse Staat zwaarder en bestaat er geen (positieve) verplichting om aan eisers een mvv te verstrekken en hun hier verblijf toe te staan. Waarom zijn eisers het niet eens met de afwijzing?

4. Eisers vinden dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in hun nadeel uitvalt. In dat kader wijzen zij er – samengevat – op dat de minister de intensiteit van het familieleven van referente met het gezin van haar broer ten onrechte niet op zichzelf heeft beoordeeld, maar slechts in vergelijking met de intensiteit van de band van referente met haar moeder. Daarnaast weegt de minister volgens eisers ten onrechte in hun nadeel mee dat het gezinsleven ook op afstand kan worden uitgevoerd, met name omdat hij erkent dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Nu evident is dat het uitoefenen van gezinsleven het meest gebaat is bij persoonlijk contact, kan de mogelijkheid om het gezinsleven op afstand uit te oefenen niet in het nadeel van eisers worden betrokken. Ook de tijdsduur die eisers en referente uit elkaar zijn en waarbij het contact op deze manier heeft plaatsgevonden, is hierbij ten onrechte betrokken, te meer omdat hierbij niet de invloed van de minister zelf op deze periode wordt betrokken. Verder vinden eisers dat de minister – in het licht van de objectieve belemmering – ten onrechte meeweegt dat zij een sterke(re) band hebben met Afghanistan. Ook wijzen eisers erop dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen van de broer van referente onvoldoende heeft betrokken bij het besluit. Tot slot vinden eisers dat de minister bij de weging van het economisch belang van de Nederlandse Staat ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de (bijna afgeronde) opleiding van referente en haar perspectieven op de arbeidsmarkt en dat de minister ten onrechte de maagklachten van eiser heeft betrokken bij de kans op een eventueel beroep op de Nederlandse gezondheidszorg. Heeft de minister de belangenafweging in het nadeel van eisers kunnen laten uitvallen?

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat tussen eisers en referente sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In dat geval moet er een afweging plaatsvinden tussen de belangen van de Nederlandse Staat bij weigering van de mvv en de belangen van eisers en referente bij het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in Nederland. Het geschil tussen partijen gaat over de juistheid van de door de minister in dit geval gemaakte belangenafweging.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de weigering om eisers een mvv te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de aanvraag strekt tot een eerste toelating van eisers en dat met de weigering van een mvv geen verblijf aan eisers wordt ontnomen die hen tot het uitoefenen van dit familieleven in staat stelde. Hieraan mag de minister volgens vaste rechtspraak gewicht toekennen ten nadele van eisers.

8. De minister heeft in de belangenafweging in het kader van de aard en intensiteit van het gezinsleven verder mogen betrekken dat niet blijkt dat eiser in Afghanistan destijds feitelijk een vaderrol voor referente heeft vervuld. Dit was in bezwaar als zodanig aangevoerd. Volgens referente zorgde haar broer soms voor haar als hun ouders weg waren, wat volgens haar regelmatig het geval was. Ook bracht hij haar af en toe naar school en hielp hij met haar huiswerk. Ze speelde dan met haar nichtje en neefje. De rechtbank is van oordeel dat de minister wat referente hierover heeft verklaard, niet ten onrechte heeft aangemerkt als (licht) ondersteunende opvoedtaken, die passen in een normale broer-zus relatie. Hierbij heeft de minister ook erop mogen wijzen dat tot het vertrek van referente uit Afghanistan zowel haar vader als haar moeder nog in beeld waren. Dat, zoals in beroep is aangevoerd, de band met haar broer hiermee uitsluitend zou zijn vergeleken met de band tussen referente en haar ouders, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit is gereageerd op de stelling in bezwaar op dit punt. Indien wel was gebleken dat de broer feitelijk een vaderrol had vervuld, dan had de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen referente en eiser zwaarder gewogen. De minister heeft bij de weging van belangen mogen betrekken dat dit niet aannemelijk is geworden.

9. Daarnaast heeft de minister het economische belang van Nederland in het nadeel van eisers mogen betrekken. In dit kader heeft de minister erop gewezen dat, zoals ook niet wordt betwist, referente op dit moment niet in staat is om in het levensonderhoud van het gezin van haar broer te voorzien. Gelet hierop is het aannemelijk is dat eisers bij overkomst naar Nederland in ieder geval een zekere tijd ten laste zullen komen van de openbare kas. De rechtbank heeft gezien dat referente op dit moment een opleiding volgt, maar de enkele stelling dat, zoals in beroep is aangevoerd, zij daarna goede perspectieven heeft op de arbeidsmarkt, maakt onvoldoende aannemelijk dat zij in staat zal zijn om in het levensonderhoud te voorzien van het gehele gezin van haar broer. Verder heeft de minister, ook los van de vraag of de maagklachten van eiser tot een beroep op de gezondheidszorg zullen leiden, in het kader van het economische belang van de Nederlandse Staat mee mogen wegen dat aannemelijk is dat eisers bij overkomst aanspraak zullen maken op door de overheid gefinancierde voorzieningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur.

10. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eisers. Omdat gezinsleven is aangenomen tussen referente en haar neefje en nichtje, wijzen eisers er op zichzelf terecht op dat zij een belang heeft bij uitoefening van dat gezinsleven. Dit betekent echter niet dat de minister de belangenafweging daarom in het voordeel van eisers had moeten laten uitvallen. In dit geval heeft de minister bij de beoordeling niet ten onrechte gesteld dat de kinderen nog erg jong zijn en daarom nog geen sterke band hebben kunnen opbouwen met referente. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat zij gelet op hun jonge leeftijd met name belang hebben om niet van hun ouders gescheiden te worden.

11. Dat de minister vanwege de door de hem erkende objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen geen gewicht mocht toekennen aan de banden van eisers met hun thuisland, volgt de rechtbank niet. Indien er om wat voor reden dan ook wel sterke banden met Nederland zouden zijn of relatief zwakke banden met Afghanistan, dan ziet de rechtbank niet in waarom dit, los van de vraag of sprake is van een objectieve belemmering, niet kan worden betrokken en van belang kan zijn in de belangenafweging. De minister heeft in dit geval van belang mogen achten dat de banden van eisers met het thuisland sterk zijn, zo spreken ze de Afghaanse taal en kennen ze de cultuur, terwijl dit ten aanzien van Nederland niet het geval is.

12. Dat er voor referente een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen heeft de minister (zwaar) in het voordeel van eisers meegewogen, maar hij heeft dat in dit geval, gezien wat hiervoor vanaf rechtsoverweging 7 en verder is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend hoeven vinden. De minister heeft in dat kader mogen meewegen dat het gezinsleven met eisers, zoals referente ook nu al stelt te doen, ook op afstand kan worden uitgeoefend. Dat dit niet ideaal is en dat eisers het liefste fysiek in Nederland willen zijn, is door de minister erkend, en begrijpt de rechtbank ook goed, maar zoals hiervoor overwogen betekent dat niet dat – alles overwegende – de belangenafweging in het voordeel van eisers had moeten uitvallen.

13. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen mvv krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman - Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. den Dulk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand