RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12494
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Kameroense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond en aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 14 oktober 2025 heeft verweerder op basis van stukken die zijn overgelegd bij het beroepschrift voorlopig uitstel van vertrek aan eiseres verleend vanwege haar medische behandeling voor de duur van maximaal zes maanden. De minister heeft daarbij bepaald dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag daarom niet geldt als terugkeerbesluit. Ook heeft de minister aangegeven dat hij voornemen is om een onderzoek te laten doen door het Bureau Medische Advisering (BMA) naar de vraag of uitzetting op medische gronden tijdelijk achterwege moet blijven.
Op 15 oktober 2025 heeft eiseres verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van het BMA-onderzoek omdat dit volgens haar kan bijdragen aan de besluitvorming.
De rechtbank heeft dit verzoek op dezelfde datum afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Tijdens die zitting heeft eiseres opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om na te denken over het aanhoudingsverzoek van eiseres.
Bij bericht van 21 november 2025 heeft de rechtbank het aanhoudingsverzoek gemotiveerd afgewezen.
Het BMA heeft op 18 december 2025 medisch advies uitgebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de minister besloten geen uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 10 april 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij een eetkraam had waaruit ze rijst verkocht langs de weg. Een gewapende groepering genaamd de Amba Boys kwam regelmatig bij de kraam om eten op te eisen. Op 18 januari 2024 hadden de Amba Boys een aanslag gepleegd op de regering. Daarna reden ze langs de eetkraam en hebben ze de container waarin het eten zat meegenomen. De soldaten van het regeringsleger hebben vervolgens de container met de naam van eiseres erop gevonden bij de Amba Boys en hierdoor werd eiseres beschuldigd van het geven van eten aan deze gewapende groepering. Op 20 januari 2024 hebben de soldaten van het regeringsleger de kraam van eiseres vernield en gedreigd om haar te doden. Dat heeft eiseres gehoord van haar buurvrouw [naam] . Vervolgens heeft eiseres besloten om te vluchten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:- Identiteit, nationaliteit en herkomst; - Gezocht worden door het regeringsleger omdat eiseres ervan wordt verdacht om eten te hebben gegeven aan de Amba Boys.
5. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Hij vindt het echter niet geloofwaardig dat eiseres gezocht wordt door het regeringsleger. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar relaas namelijk geen objectieve documenten overgelegd en daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat haar verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Kameroen. Hoewel er sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie in het deel van Kameroen waaruit eiseres afkomstig is, gelden de regio's Yaoundé, Douala en Bafoussam als binnenlands beschermingsalternatief. Eiseres krijgt daarom geen asielvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Eiseres krijgt niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. Daarnaast wordt aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.De meeromvattendheid van de beschikking
6. Eiser betoogt dat de meeromvattendheid van de beschikking als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000 eraan in de weg staat dat de minister afzonderlijk beslist over haar asielaanvraag en het terugkeerbesluit. Bij de beoordeling van het terugkeerbesluit moet volgens eiseres namelijk ook rekening worden gehouden met haar medische situatie en die is nog niet volledig bekend, omdat haar bezwaar tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek op medische gronden nog loopt. Als de rechtbank nu al beslist op het beroep over het asielbesluit zonder daarbij het terugkeerbesluit te beoordelen, wordt het voor eiseres bovendien onmogelijk gemaakt om op basis van een ambtshalve beoordeling van de minister in aanmerking te komen voor een vergunning op basis van artikel 8 EVRM en het Traumatabeleid.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten tijde van het nemen van zijn besluit op de asielaanvraag van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om (voorlopig) uitstel van vertrek te verlenen. Destijds was er geen medische informatie bekend op grond waarvan kon worden vermoed dat eiseres niet in staat zou zijn om te reizen of bij terugkeer in een medische noodsituatie terecht zou komen. Dat heeft eiseres ook erkend. Er bestond op dat moment dus ook geen aanleiding voor de minister om van een terugkeerbesluit af te zien.
8. Uit de medische stukken die eiseres later heeft overgelegd, blijkt dat de medische situatie van eiseres daarna is verslechterd. Op basis van die stukken (van onder andere KleurGGZ) heeft de minister vervolgens voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van een BMA-advies. De minister heeft het terugkeerbesluit toen opgeschort. Inmiddels heeft het BMA advies uitgebracht in een nota van 18 december 2025. Daarin staat dat eiseres onder begeleiding van een (psychiatrisch) verpleegkundige kan reizen en dat bij terugkeer naar Kameroen geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Gelet op dat advies heeft de minister geen uitstel van vertrek verleend en het voorlopig uitstel van vertrek beëindigd. Daardoor herleefde het terugkeerbesluit. Dat heeft de minister op zitting ook bevestigd.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de hiervoor beschreven werkwijze van de minister niet rechtens juist is. Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 is slechts een tijdelijke belemmering om te reizen die niet afdoet aan het opleggen van een terugkeerbesluit. In het geval dat voorlopig uitstel van vertrek wordt verleend in afwachting van de resultaten van een BMA-onderzoek is des te meer sprake van een tijdelijke belemmering. Het uiteindelijke BMA-advies geeft aan dat eiseres kan reizen en uitzetting niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Zoals de minister in zijn verweerschrift van 2 februari 2026 terecht heeft opgemerkt, werpt dat advies in zoverre is geen ander licht op het asielbesluit en het destijds opgelegde terugkeerbesluit.
10. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog over de ambtshalve beoordeling op grond van artikel 8 EVRM en het Traumatabeleid. Wat betreft het Traumatabeleid, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eiseres niet voldoet aan het op grond van paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire geldende vereiste dat een zij binnen zes maanden na een traumatische gebeurtenis is vertrokken. Voor het overige overweegt de rechtbank dat de minister ook bij een eventuele volgende asielaanvraag gebruik kan maken van zijn discretionaire bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.Invloed van psychische gezondheid op de mogelijkheid om te verklaren
11. Eisers stelt dat zij door haar PTSS niet in staat was om coherent te verklaren. Zij wijst in dit kader op uitspraken van de Afdeling die dat volgens haar bevestigen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat er tijdens de gehoren rekening is gehouden met de psychische toestand van eiseres zoals destijds bekend was. MediFist heeft beperkingen geconstateerd op het vlak van concentratie en het begrijpen van vragen, en daar is tijdens de gehoren rekening mee gehouden door extra pauzes in te lassen en door te vragen als getwijfeld werd of eiseres de vraag goed had begrepen. Uit de later overgelegde medische stukken en het BMA-advies heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank verder niet hoeven afleiden dat er destijds nog meer beperkingen waren in de mogelijkheden van eiseres om gehoord te worden. Hoewel uit die stukken volgt dat eiseres momenteel kampt met PTSS en psychische problemen, heeft de minister terecht gesteld dat daaruit niet volgt hoe haar psychische toestand was tijdens de gehoren, of die problemen toen ook bestonden. Uit het BMA-advies en de medische stukken volgt ook niet of dat dan interfereerde met haar mogelijkheden om consistent te verklaren en zo ja, hoe. De minister heeft tot slot terecht erop gewezen dat eiseres zelf geen rapport heeft laten opstellen door het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) om het tegendeel te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet. De geloofwaardigheid van het asielrelaas
13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader, concentratieproblemen, haar beperkte begrip van de taal en haar medische problematiek. Er zijn haar veel tegenstrijdigheden tegengeworpen waarop tijdens de gehoren niet is doorgevraagd. Het had volgens eiseres voor de hand gelegen om haar aanvullend te horen.
14. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De minister wijst in dit kader terecht erop dat de resultaten van het onderzoek door MediFirst voorafgaand aan het gehoor met eiseres zijn besproken en dat met haar afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van die resultaten. Uit het onderzoek van MediFirst is gebleken dat eiseres een wisselende concentratie heeft en dat er korte, eenvoudige vragen moesten worden gesteld. Eiseres heeft aangegeven dat zij niet in staat is exacte data te benoemen in haar asielrelaas en dat zij eenvoudig Engels spreekt. Tegenstrijdigheden in genoemde data zijn gelet op deze bevindingen niet aan eiseres tegengeworpen. Verder ziet de rechtbank in de verslagen van de gehoren geen aanwijzingen dat bij de gehoren onvoldoende rekening is gehouden met de bevindingen van MediFirst.
15. Dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met het referentiekader van eiseres, volgt de rechtbank ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dat kader niet ten onrechte aan eiseres tegenwerpt dat zij een volwassen geschoolde vrouw is die haar eigen bedrijf had en in staat was om haar eigen identificerende documenten te regelen. Gelet hierop heeft de minister kunnen overwegen dat niet gebleken is dat het referentiekader zodanig beperkt is dat hier op een bijzonder manier rekening had moeten worden gehouden of passende steun had moeten worden geboden tijdens de gehoren.
16. De rechtbank constateert verder dat eiseres niet met elke tegenstrijdigheid die in het bestreden besluit is genoemd is geconfronteerd in de gehoren. Dat de minister het besluit daardoor onzorgvuldig zou hebben voorbereid, volgt de rechtbank echter niet. Zij verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2024. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat de minister ook tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee de vreemdeling niet tijdens de gehoren is geconfronteerd. Weliswaar mag niet zo zijn dat een vreemdeling met geen enkele tegenstrijdigheid wordt geconfronteerd in de gehoren, maar van die situatie is in deze zaak geen sprake. De rechtbank volgt de minister overigens niet in zijn stelling dat hij de tegenstrijdigheden in de verklaringen tussen eiseres en haar neef niet aan haar kon voorleggen omdat de gehoren gelijktijdig plaatsvonden. Dat is namelijk een organisatorische keuze van de minister die voor zijn rekening en risico moet blijven. De rechtbank zal hieronder nog ingaan op de tegenstrijdige verklaringen.
17. Voor zover eiseres stelt dat de door haar aangedragen landeninformatie en foto’s onvoldoende zijn betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, zal de rechtbank dat beoordelen per onderdeel van het relaas.Het incident met de voedselcontainer
18. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister het geloofwaardig vindt dat de voedselcontainer is meegenomen of gestolen door de Amba rebellen. Ook vindt de minister geloofwaardig dat de naam van eiseres op die container stond en dat de regeringssoldaten die container in het bos vonden en daarover vragen gingen stellen hoe die daar is gekomen. Verder vindt de minister geloofwaardig dat de regeringssoldaten onder bedreiging aan de dorpsbewoners hebben gevraagd van wie (de naam op) de container was en waar haar kraam was. Verder werpt de minister in het besluit niet langer aan eiseres tegen hoe [naam] (die eiseres waarschuwde) wist wat de aanleiding van de verdenking was.
19. De minister heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij in het midden laat of geloofwaardig is dat de kraam van eiseres vernield is door de regeringssoldaten. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling kan de minister niet met een dergelijk oordeel volstaan. Indien een element van het relaas niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig wordt bevonden, moet namelijk ervan worden uitgegaan dat het geloofwaardig is. De rechtbank zal die lijn van de Afdeling op dit punt volgen.
20. De minister vindt het niet geloofwaardig dat de bedreigingen en de vernieling van de kraam gerelateerd zijn aan een vermeende of toegedichte collaboratie met de Amba Boys. Het causale verband daartoe ontbreekt volgens de minister. De rechtbank is mede in het licht van het voorgaande van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het relaas van eiseres op deze punten ongeloofwaardig is. De minister vindt het immers geloofwaardig dat de regeringssoldaten haar container vonden op de plek waar de Amba rebellen waren geweest, zij wisten wie zij was en waar haar kraam zich bevond en vernielden om die reden haar kraam. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het desondanks ongeloofwaardig is dat de regeringssoldaten dachten dat zij samenwerkte met de Amba Boys en waarom zij dus niet te vrezen zou hebben voor het regeringsleger.
21. Omdat de minister het geloofwaardig vindt dat de regeringssoldaten naar haar op zoek waren nadat de kraam is vernield en zij dorpsbewoners hebben bedreigd om achter de locatie van de kraam te komen, vindt de rechtbank het – anders dan de minister – niet onbegrijpelijk dat eiseres met haar moeder het bos in is gevlucht. In dat kader heeft eiseres terecht gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld door het regeringsleger. Dat de soldaten niet naar de moeder van eiseres op zoek waren, is in dat licht dan ook onvoldoende om het ongerijmd te achten dat eiseres met haar moeder vlucht. Ook het feit dat eiseres nog een paar kledingstukken heeft ingepakt voordat zij naar het bos vluchtte, vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk. Eiseres wist immers niet hoe lang zij weg zou moeten gaan. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij de verklaringen van eiseres hierover ongerijmd vindt en waaruit hij afleidt dat hiervoor onvoldoende tijd was.
22. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiseres tegenwerpt dat haar moeder vervolgens weer is teruggekeerd naar de woning. De rechtbank kan het betoog van de minister op dit punt niet volgen. Gelet op de beschikbare landeninformatie vindt de rechtbank het zonder nadere motivering van de minister niet onbegrijpelijk dat de moeder in eerste instantie vluchtte uit angst voor willekeurig geweld en dat zij terugkeerde na enig tijdsverloop en de realisatie dat haar dochter werd gezocht en zijzelf niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat dit afdoet aan de geloofwaardigheid van haar relaas. De reis naar Yaoundé met haar neef
23. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht erop wijst dat de verklaringen van eiseres over de route afwijken van de verklaringen daarover van haar neef. Zo verklaarde haar neef dat zij iedere keer bij een militaire post uitstapten en te voet verder gingen, terwijl eiseres heeft verklaard dat zij zich er niet van bewust was dat ze regeringssoldaten zouden tegenkomen. Dat de neef de route zou hebben bepaald – zoals eiseres stelt – maakt op zichzelf niet dat het logisch is dat zij daarover wisselend hebben verklaard. De minister heeft dit dan ook aan eiseres kunnen tegenwerpen, ondanks dat hij eiseres niet tijdens het gehoor hiermee heeft geconfronteerd. Eiseres heeft immers in beroep hierop kunnen reageren.
24. Verder wijst de minister er in het bestreden besluit op dat het bevreemding wekt dat eiseres niet de korte route heeft gekozen om te vluchten, maar een langere route heeft genomen door regeringsgebied terwijl eiseres stelt te vrezen dat zij op een zwarte lijst is komen te staan. In dat kader heeft eiseres verklaard dat zij Nigeria heeft vermeden omdat zij daar in het verleden is verkracht en omdat volgens haar daar sprake is van een hoger risico op willekeurig geweld. De minister wijst er vervolgens op dat niet valt in te zien waarom eiseres koos voor een route met grote steden, maar daarover stelt eiseres juist dat uit landeninformatie blijkt dat de mate van willekeurig geweld in de steden lager ligt dan op het platteland. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het licht van deze bronnen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit tegenstrijdig dan wel bevreemdingwekkend is. Ambtenaar op het vliegveld
25. De rechtbank is van oordeel dat de minister weliswaar met juistheid heeft overwogen dat de verklaringen van eiseres over de ambtenaar op het vliegveld tegenstrijdig zijn met de verklaringen van haar neef hierover, maar dat hij dit ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen. Eisers heeft verklaard dat zij vragen moest beantwoorden van de immigratiebeambten en dat zij tegen betaling zijn geholpen. De neef van eiseres heeft verklaard dat alles al geregeld was via de telefoon en dat zij niks meer hoefden te vertellen. Daarnaast verklaren eiseres en haar neef wisselend over hoe ze aan het telefoonnummer van de ambtenaar zijn gekomen. Eiseres heeft als uitleg hiervoor gegeven dat haar neef alles regelde en dat zij dus niks wist van deze interacties. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze uitleg ontoereikend zou zijn. Dat zij samen reisden en familie zijn, betekent niet automatisch dat zij ook alles samen regelden of met elkaar bespraken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de tegenstrijdige verklaring daarom ten onrechte zonder nadere motivering aan eiseres heeft tegengeworpen. Zwarte lijst
26. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiseres, anders dan zij volgens haar verklaringen voor vreesde, kennelijk niet op een zwarte lijst stond omdat zij door regeringsgebied is gereisd zonder aangehouden te worden en omdat zij legaal is uitgereisd. De minister heeft terecht erop gewezen dat de verklaringen van eiseres daarover gebaseerd zijn op vermoedens die niet geconcretiseerd zijn. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank mogen betrekken bij zijn beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
27. De minister heeft gelet op het voorgaande de geloofwaardigheidsbeoordeling op diverse punten onvoldoende gemotiveerd. De aanvraag is daarom ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de geloofwaardigheid van het relaas te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. De minister zal een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken. Vervolgens zal de minister opnieuw moeten beoordelen wat de geloofwaardig bevonden delen van het relaas betekenen voor het risico bij terugkeer op ernstige schade en het vluchtelingschap.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan de zitting (1 punt) en de nadere zitting (0,5 punt) van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2025;
- draagt de minister op binnen zes na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman - Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.