ECLI:NL:RBDHA:2026:13519

ECLI:NL:RBDHA:2026:13519

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL26.3802
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Tweede beroep niet tijdig, nareis, beroep ontvankelijk en gegrond, verweerschrift, herstel verzuim, beslistermijn van 12 weken

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3802

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: L. Brons).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken moet beslissen op de nareisaanvraag van eiser, indien de minister niet binnen die termijn kenbaar maakt dat hij nader onderzoek wil verrichten. De minister heeft zich hieraan niet gehouden. Eiser stelt daarom nu beroep in.

Overwegingen

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.4

1. ECLI:NL:RBDHA:2025:3949.

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 ECLI:NL:RVS:2025:5787.

4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 12 maart 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.5 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk.

Is het beroep van eiser gegrond?

5. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7

7. De minister heeft op 24 februari 2026 een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht om een nadere beslistermijn van twintig weken. Hiertoe heeft hij aangegeven dat de aanvraag van eiser inmiddels is toegewezen aan een behandelaar. De minister heeft in het verweerschrift ook aangegeven voornemens te zijn aan eiser herstel verzuim te bieden om de aanvraag compleet te maken en eiser te willen uitnodigen voor een gehoor.

8. De minister heeft de rechtbank op 19 mei 2026 schriftelijk laten weten dat aan eiser op 30 maart 2026 herstel verzuim is geboden om de aanvraag compleet te maken. Eiser heeft de gevraagde informatie aangeleverd op 9 april 2026. De minister heeft tevens aangegeven eiser zo spoedig mogelijk te willen uitnodigen voor een gehoor en verzoekt de rechtbank daarom een termijn van zestien weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister passend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.

9. De rechtbank ziet in de uitleg van de minister aanleiding om een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde termijn van zestien weken te lang is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de periode van

9 april 2026 tot en met 19 mei 2026 onbenut heeft gelaten om voortgang te maken met de besluitvorming. Om recht te doen aan zowel het belang van eiser bij een duidelijke beslistermijn als het belang van de minister om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op van twaalf weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.

5. ECLI:NL:RVS:2021:774.

6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.

7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.8 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Mede onder invloed van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1792, hanteert deze zittingsplaats van de rechtbank bij opvolgende beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet langer het hogere tarief van € 250,-, met een maximum van € 37.500,-. Dit is slechts anders indien de rechtbank een sterke prikkel voor de minister nodig acht om tot een besluit op de aanvraag te komen. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.

12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

22 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Griffier

  • mr. A.W. van Eerden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand