Beoordeling door de rechtbank
4. Het is vaste rechtspraak dat niet kan worden uitgesloten dat na het aangaan van een schijnhuwelijk alsnog een oprechte relatie ontstaat. Het is aan eiseres om aan te tonen dat er sprake is van een oprechte en exclusieve (huwelijks)relatie.
Aan de aanvraag heeft eiseres diverse stukken ten grondslag gelegd. Het betreft onder meer verklaringen over de relatie tussen eiseres en referent van derden voorzien van afschriften van legitimatiebewijzen, documentatie over referent (werkgeversverklaring, salarisspecificaties, afschrift identiteitsbewijs en correspondentie), foto’s van en whatsapp-berichten tussen eiseres en referent, correspondentie over de pogingen om zich in te schrijven in de Basisregistratie Personen, correspondentie gericht aan eiseres op het adres van referent en een brief van de casemanager bij het [bedrijf]. Verweerder heeft de stukken die eiseres in het kader van de eerdere aanvraag en bezwaarprocedure al had ingebracht buiten beschouwing mogen laten, omdat daarover al geoordeeld is.
De rechtbank stelt vast dat verweerder gemotiveerd in gaat op de door eiseres overgelegde stukken daterend uit de periode na 2022, maar de rechtbank volgt verweerder niet in zijn, op de zitting ingenomen, stelling dat eiseres alleen informatie verstrekt over haar persoon en niet over haar relatie. Uit de foto’s, verklaringen en correspondentie komt een consistent beeld naar voren dat eiseres en referent elkaar al jaren kennen, een trouwe vrienden- en kennissenkring hebben, samen betrokken zijn bij de kerk en eiseres zeer regelmatig contact heeft met medewerkers van het [bedrijf]. Hieruit volgt niet een sluitend beeld van de oprechtheid van hun relatie, maar eiseres heeft wel veel stukken overgelegd waaruit blijkt hoe haar leven is ingericht en dat gaat ook over haar relatie met referent. Uit de stukken van de casemanager van het [bedrijf] volgt verder dat eiseres regelmatig hulp nodig heeft bij haar administratie en participatie in de maatschappij. In de verklaring van de casemanager van 31 januari 2024 wordt expliciet aangegeven dat eiseres laaggeletterd is, de Nederlandse taal niet goed machtig is en waarschijnlijk een licht verstandelijke beperking heeft waardoor eiseres moeite heeft met het begrijpen van brieven van verweerder en wat verweerder van haar verwacht. De overgelegde verklaringen zijn niet alle heel gedetailleerd en objectief, maar wel opgesteld door verschillende personen in het netwerk van eiseres. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de casemanagers van het [bedrijf], die al heel lang betrokken zijn bij eiseres, zeer consistent zijn en expliciet verklaren over de relatie tussen eiseres en referent waaraan zekere objectieve waarde kan worden toegekend.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een oprechte huwelijksrelatie. Verweerder heeft de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Daar komt bij dat eiseres in beroep aanvullende stukken heeft ingediend waaronder een onderzoeksrapport naar de intelligentie van eiseres waaruit onder meer volgt dat eiseres op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert met betrekking tot het onafhankelijk functioneren in de maatschappij, de inschrijving van eiseres op het adres van referent per 7 mei 2025, de huwelijksakte van 24 februari 2026 waaruit volgt dat eiseres en referent in Amsterdam gehuwd zijn en hun huwelijksfoto’s. De casemanager van het [bedrijf] van eiseres heeft op zitting opnieuw verklaard over haar betrokkenheid bij eiseres en het huisbezoek dat zij heeft afgelegd en verklaard heeft dat eiseres en referent samenwonen. Op de rechtbank is de presentatie van eiseres en referent over hun relatie tijdens de zitting niet onoprecht overgekomen. De rechtbank volgt verweerder tot slot niet in zijn stelling dat een huwelijk een formele handeling is die niets over een relatie zegt. Met een huwelijk komen vele onderlinge rechten en plichten en ook hiervoor geldt dat met een huwelijk niet zonder meer is aangetoond dat er sprake is van een oprechte relatie, maar het kan niet buiten beschouwing worden gelaten alsof het slechts een formele handeling is.
5. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen wordt genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd en de overwegingen in het primaire besluit.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar op grond waarvan verweerder van het horen van eiseres heeft kunnen afzien. Uit de stukken van de primaire fase komt al duidelijk een beeld van eiseres naar voren dat zij veel hulp nodig heeft bij het regelen van haar zaken en zij heeft in bezwaar ook expliciet gevraagd om een hoorzitting om haar standpunt nader toe te lichten. Verweerder werpt eiseres tegen alleen stukken te hebben aangeleverd die administratief van aard zijn en niet zien op de relatie. Het was dan ook minder vanzelfsprekend om af te zien van een hoorzitting en de rechtbank volgt verweerder niet in zijn overweging in het bestreden besluit dat de beoordeling van de oprechtheid van de relatie alleen op basis van schriftelijke stukken en informatie plaats kan vinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het licht van wat eiseres in het bezwaarschrift heeft aangevoerd en de stukken die zij in bezwaar heeft overgelegd ten onrechte heeft geconcludeerd dat van het horen van eiseres en/of referent kon worden afgezien. Omdat verweerder eiseres ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb.
Verzoek om schadevergoeding
6. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Dat betekent dat ook die procedures binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Wordt deze redelijke termijn overschreden, dan wordt in beginsel verondersteld dat de vreemdeling immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is dan een schadevergoeding van € 500,- gepast voor elk half jaar dat de redelijke termijn geheel of gedeeltelijk is overschreden.
Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat de redelijke termijn is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar na het instellen van beroep uitspraak doet. In die termijn is de duur van een bezwaarprocedure inbegrepen. Hebben de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn van twee jaar daardoor is overschreden, dan heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan en de rechtbank als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase maximaal een half jaar mag duren en de beroepsfase maximaal anderhalf jaar. Verweerder heeft geen verweer gevoerd op het verzoek van eiseres en de rechtbank ziet geen reden om in deze zaak een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
De redelijke termijn vangt aan als bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan. Het bezwaarschrift is op 30 april 2024 aan verweerder verzonden. Dat betekent dat de redelijke termijn op 30 april 2026 en dus met 3 weken is overschreden. Aan eiseres moet daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend. Verweerder heeft op 11 oktober 2024 het bestreden besluit genomen en daarom is naar het oordeel van de rechtbank deze termijnoverschrijding volledig toe te rekenen aan de rechtbank. De rechtbank zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en er ook sprake is van schending van de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan niet meer toe. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om het motiveringsgebrek te repareren en eiseres voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit te horen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Voor het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn bedraagt deze vergoeding € 467,-, omdat de gemachtigde van eiseres dit verzoek heeft gedaan en de rechtbank hieraan een wegingsfactor van 0,5 toekent (1 punt van € 934,- met een wegingsfactor van 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat de overschrijding toe te rekenen is aan de rechtbank, betekent dat dat de rechtbank de Staat veroordeelt in deze proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.40468:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.40472:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.