ECLI:NL:RBDHA:2026:1353

ECLI:NL:RBDHA:2026:1353

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL25.49357
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel. Irak, jezidi. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Irak gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland had de minister geen terugkeerbesluit kunnen opleggen. Op dit punt is het beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 9 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij om een voorlopige voorziening verzocht. Deze voorziening is geregistreerd onder zaaknummer NL25.49358 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

2. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Iraakse nationaliteit heeft en behoort tot de jezidi’s bevolkingsgroep. Eiser was aanwezig bij de genocide in 2014 en heeft toen moeten vluchten. Hij heeft jaren in vluchtelingenkampen geleefd en is in 2020 terug gegaan naar het gebied Sinjar. In 2022 heeft eiser Irak verlaten. Hij heeft, nadat aan hem in Griekenland internationale bescherming is verleend, in april 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Hij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat het in Irak niet veilig is voor jezidi en het moeilijk is om daar een leven op te bouwen.

Het bestreden besluit

6. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook de problemen door het zijn van jezidi worden door de minister geloofwaardig geacht. Deze problemen zijn volgens de minister niet voldoende voor gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer voor eiser persoonlijk. Eiser heeft internationale bescherming ontvangen in Griekenland. De in Griekenland ontvangen documenten heeft hij bewust vernietigd in de hoop in Nederland in een gunstigere positie te komen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

De gronden van beroep

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de overheid jezidi niet kan beschermen. Jezidi worden als onrein gezien en kunnen daardoor niet volledig deelnemen aan de maatschappij. Eiser vreest bij terugkeer voor discriminatie, erbarmelijk omstandigheden in de vluchtelingenkampen en te worden gerekruteerd door een gewapende groepering. Omdat er bij de aanvraag van eiser sprake was van gunstiger beleid had de minister dit beleid moeten toepassen. Tot slot is ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd, eiser heeft immers nog internationale bescherming in Griekenland.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister kunnen oordelen dat eiser als jezidi geen gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade?

8. In het huidige landgebonden beleid van Irak zijn jezidi’s niet aangemerkt als risicoprofiel. Het is daarom aan eiser om individuele omstandigheden naar voren te brengen waaruit volgt dat hij bij terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Anders dan eiser betoogt is de enkele omstandigheid dat hij door toepassing van het huidige beleid in een ongunstigere positie komt in combinatie met tijdsverloop niet voldoende om niet uit te gaan van het beleid zoals dat geldt op het moment dat het besluit door de minister wordt genomen. Daarbij betekende het ten tijde van de aanvraag geldende beleid ook niet per definitie dat aan eiser een vergunning zou zijn verleend. Er moest nog steeds een beoordeling van het asielrelaas plaatsvinden.

Het is aan eiser om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Uit het Algemeen ambtsbericht en de bronnen waar eiser naar heeft verwezen blijkt dat er in Irak nog steeds sprake is van een onrustige situatie, maar niet kan worden geconcludeerd dat jezidi’s automatisch een reëel risico lopen op ernstige schade of vervolging. De Iraakse grondwet garandeert vrijheid van godsdienst voor elke Iraakse burger en noemt daarbij specifiek jezidi’s. Het is voor eiser niet onmogelijk geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft verklaard dat hij de mogelijkheid had om onderwijs te volgen en toegang had tot medische zorg. Ook heeft eiser in de landbouw kunnen werken. De minister heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij niet heeft onderbouwd waarom juist hij na terugkeer het risico loopt te worden gerekruteerd en het bovendien alleen een vermoeden is. Uit algemene landeninformatie blijkt niet van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Irak gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.

Kan de minister een terugkeerbesluit opleggen?

9. Eiser heeft internationale bescherming in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de Griekse autoriteiten na het nemen van het besluit door de minister op de hoogte zijn gebracht van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure. Door de minister is niet geïnformeerd of de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eiser intrekken. Onduidelijk is daarom of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 kon door de minister nog geen terugkeerbesluit worden genomen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd.

11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-) € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?