Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/043724-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 mei 2025, 16 juli 2025 (pro forma en regie) en 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met bovengenoemd parketnummer. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit
vonnis gehecht.
Kort gezegd is aan de verdachte voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van cocaïne ten laste gelegd.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Vrijspraak
Uit het dossier blijkt dat de politie meerdere meldingen ontving over een mogelijk drugslaboratorium dat gesitueerd zou zijn op [adres 2] . Naar aanleiding van deze meldingen is de politie op 23 oktober 2024 een onderzoek gestart op dit perceel. Achter op het perceel werd door de politie een stacaravan aangetroffen met een laboratorium dat was ingericht ten behoeve van de productie van procaïne, een stof die als versnijdingsmiddel wordt gebruikt bij het vervaardigen van cocaïne.
De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) heeft dit laboratorium ontmanteld en onderzoek verricht aan en monsters genomen van de aangetroffen zaken. Deze monsters zijn onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Er werden meerdere jerrycans, gasbranders, gasflessen, ventilatoren, droogrekken met 56 kilogram procaïne en diverse (grote) hoeveelheden zoutzuur, ammoniak, aceton en verschillende oplossingen daarvan aangetroffen.
Bovendien werden in de stacaravan een aantal blikjes frisdrank en gelaatsmaskers aangetroffen. Ook van deze voorwerpen zijn sporen veiliggesteld, die nadien forensisch zijn onderzocht. Uit dit forensisch onderzoek volgt dat DNA-materiaal van de verdachte aanwezig was op drie in de caravan aanwezige gelaatsmaskers en twee blikjes frisdrank.
Hoewel de aanwezigheid van DNA-materiaal van verdachte op drie gelaatsmaskers die in de stacaravan lagen op de dag van de ontmanteling, vragen oproept, is dat dit op zichzelf onvoldoende redengevend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit. De gelaatsmaskers zijn weliswaar delictgerelateerde, maar ook verplaatsbare goederen. De rechtbank kan op grond van de aanwezigheid van DNA-materiaal alleen niet buiten redelijk twijfel vaststellen hoe en wanneer het DNA-materiaal van de verdachte op die gelaatsmaskers terecht is gekomen en wanneer en op welke wijze deze in de stacaravan terecht zijn gekomen.
De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of er dan (voldoende) steunbewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Uit onderzoek is naar de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat de telefoon van de verdachte, voorafgaand aan de ontmanteling van het procaïnelaboratorium op 23 oktober 2024, meermalen gebruik maakte van een basisstation waarvan het indicatieve dekkingsgebied ook de plaats delict omvat.
De rechtbank overweegt dat deze historische verkeersgegevens geen afdoende steunbewijs bevatten voor de betrokkenheid van de verdachte bij het aangetroffen procaïnelaboratorium. De aangestraalde basisstations bevinden zich immers in de buurt van doorgaande wegen in- en uit de stad.
Ook volgt uit de historische verkeersgegevens dat de telefoon van de verdachte op diverse data voorafgaand aan de ontmanteling van het procaïnelaboratorium meermalen contact had met het tegennummer dat aan medeverdachte [medeverdachte] wordt toegeschreven. Hoewel ook dit vragen oproept, kan op basis van het voorliggend dossier niet worden vastgesteld wat de inhoud van deze gesprekken was. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze verkeersgegevens dan ook geen steunbewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het aan hem tenlastegelegde.
Medeverdachte [medeverdachte] is tijdens zijn verhoor op 24 februari 2025 bij de politie geconfronteerd met vier foto’s van eveneens aangehouden medeverdachten. Bij de foto van de verdachte verklaarde [medeverdachte] dat hij hem herkende als “ [bijnaam 1] ”, die hij vaker op het perceel aan de [adres 2] had gezien en waarmee hij wel eens sprak. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een enkelvoudige fotoconfrontatie: een onderzoeksmethode waarbij een getuige (of in dit geval een medeverdachte) slechts één foto van een verdachte bekijkt en op basis daarvan kan aangeven of hij deze persoon herkent. Een herkenning die voortkomt uit deze methode heeft naar het oordeel van de rechtbank een zwakkere bewijskracht ten opzichte van een meervoudige fotoconfrontatie. Nu medeverdachte [medeverdachte] geen keuze had uit meerdere foto’s van verdachte, kan de getoonde foto suggestief zijn. In deze zaak boet de herkenning van de verdachte door medeverdachte [medeverdachte] nog meer in aan bewijskracht door de wijze waarop de fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden. Uit het tweede politieverhoor van medeverdachte [medeverdachte] blijkt namelijk dat hem werd verteld dat er vier medeverdachten waren aangehouden, dat hij eerder had verklaard over “ [bijnaam 1] ”, “ [bijnaam 2] ” en “ [bijnaam 3] ” en hem daarna pas werd gevraagd wie de personen op de getoonde foto’s waren. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] over de fotoconfrontatie en zijn herkenning van de verdachte bij de rechter-commissaris onder meer heeft verklaard dat hij de ID-kaart van de verdachte met een foto en een naam had gezien. Ook heeft hij verklaard dat hij de bijnamen van de verdachte en de andere medeverdachten kende uit het dossier. Bij die vaststelling is van belang dat [medeverdachte] reeds op 11 februari 2025 werd voorgeleid en over dossierkennis moet hebben beschikt op het moment dat de herkenning van de verdachte plaatsvond. Al deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat achteraf niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld welke factoren een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de herkenning van verdachte door medeverdachte [medeverdachte] , waardoor de bewijskracht van de herkenning van de verdachte door [medeverdachte] te gering is om te kunnen dienen als (steun)bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het aan hem tenlastegelegde.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Gelet op het voormelde zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Snoeijer, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken en/of vervaardigen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat
zij bestemd waren tot het plegen van dat feit/die feiten, te weten
- een of meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en), waaronder een of meerdere jerrycan(s) en/of emmer(s) en/of afzuigslang(en) en/of vloeistofcontainer(s) en/of vacuümzak(ken) en/of gasbrander(s) en/of droogrek(ken) en/of gasfles(sen) en/of ventilator(en) en/of centrifuge(s) en/of gasmasker(s) en/of
- een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) grondstoffen en/of chemicaliën en/of versnijdingsmiddelen, waaronder 1710 liter aceton, althans een hoeveelheid aceton en/of 56 kilo procaïne, althans een hoeveelheid procaïne en/of een hoeveelheid zoutzuur en/of een hoeveelheid ammoniak.