Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/043844-25 en 09/312367-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S.C. van Klaveren naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met bovengenoemde parketnummers. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De dagvaarding met parketnummer 09/043844-25 zal hierna als dagvaarding I worden aangeduid en de dagvaarding met parketnummer 09/312367-25 als dagvaarding II.
Kort gezegd zijn aan de verdachte bij dagvaarding I voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van cocaïne ten laste gelegd. Bij dagvaarding II is aan de verdachte ten laste gelegd het in bezit hebben van XTC en MDMA.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten en gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I en II tenlastegelegde bepleit.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van het bij dagvaarding I tenlastegelegde
Uit het dossier blijkt dat de politie meerdere meldingen ontving over een mogelijk drugslaboratorium dat gesitueerd zou zijn op [adres 2] . Naar aanleiding van deze meldingen is de politie op 23 oktober 2024 een onderzoek gestart op dit perceel. Achter op het perceel werd door de politie een stacaravan aangetroffen met een laboratorium dat was ingericht ten behoeve van de productie van procaïne, een stof die als versnijdingsmiddel wordt gebruikt bij het vervaardigen van cocaïne.
De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) heeft dit laboratorium ontmanteld en onderzoek verricht aan en monsters genomen van de aangetroffen zaken. Deze monsters zijn onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Er werden meerdere jerrycans, gasbranders, gasflessen, ventilatoren, droogrekken met 56 kilogram procaïne en diverse (grote) hoeveelheden zoutzuur, ammoniak, aceton en verschillende oplossingen daarvan aangetroffen.
Bovendien werden in de stacaravan een aantal blikjes frisdrank en gelaatsmaskers aangetroffen. Ook van deze voorwerpen zijn sporen veiliggesteld, die nadien forensisch zijn onderzocht. Uit dit forensisch onderzoek volgt dat DNA-materiaal van de verdachte aanwezig was op twee in de caravan aanwezige gelaatsmaskers.
Hoewel de aanwezigheid van DNA-materiaal van verdachte op twee gelaatsmaskers die in de stacaravan lagen op de dag van de ontmanteling, vragen oproept, is dat dit op zichzelf onvoldoende redengevend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit. De gelaatsmaskers zijn weliswaar delictgerelateerde, maar ook verplaatsbare goederen. De rechtbank kan op grond van de aanwezigheid van DNA-materiaal alleen niet buiten redelijk twijfel vaststellen hoe en wanneer het DNA-materiaal van de verdachte op die gelaatsmaskers terecht is gekomen en wanneer en op welke wijze deze in de stacaravan terecht zijn gekomen.
De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of er dan (voldoende) steunbewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Uit onderzoek is naar de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat de telefoon van de verdachte, na de ontmanteling van het procaïnelaboratorium op 23 oktober 2024, meermalen gebruik maakte van een basisstation waarvan het indicatieve dekkingsgebied ook de plaats delict omvat. Daarnaast zou het toestel op 23, 24 en 27 oktober 2024 een basisstation aangestraald hebben bij waarvan het indicatieve dekkingsgebied net niet de plaats delict bestrijkt.
De rechtbank overweegt dat deze historische verkeersgegevens geen afdoende steunbewijs bevatten voor de betrokkenheid van de verdachte bij het aangetroffen procaïnelaboratorium. De aangestraalde basisstations bevinden zich immers in de buurt van doorgaande wegen in- en uit de stad en er bestaat onduidelijkheid over het met de telefoon van de verdachte corresponderende IMEI-nummer.
Medeverdachte [medeverdachte] is tijdens zijn verhoor op 24 februari 2025 bij de politie geconfronteerd met vier foto’s van eveneens aangehouden medeverdachten. Bij de foto van de verdachte verklaarde [medeverdachte] dat hij hem herkende als “ [bijnaam 1] ”, die hij vaker op het perceel aan de [adres 2] had gezien en waarmee hij wel eens sprak. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een enkelvoudige fotoconfrontatie: een onderzoeksmethode waarbij een getuige (of in dit geval een medeverdachte) slechts één foto van een verdachte bekijkt en op basis daarvan kan aangeven of hij deze persoon herkent. Een herkenning die voortkomt uit deze methode heeft naar het oordeel van de rechtbank een zwakkere bewijskracht ten opzichte van een meervoudige fotoconfrontatie. Nu medeverdachte [medeverdachte] geen keuze had uit meerdere foto’s van verdachte, kan de getoonde foto suggestief zijn. In deze zaak boet de herkenning van de verdachte door medeverdachte [medeverdachte] nog meer in aan bewijskracht door de wijze waarop de fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden. Uit het tweede politieverhoor van medeverdachte [medeverdachte] blijkt namelijk dat hem werd verteld dat er vier medeverdachten waren aangehouden, dat hij eerder had verklaard over “ [bijnaam 2] ”, “ [bijnaam 3] ” en “ [bijnaam 1] ” en hem daarna pas werd gevraagd wie de personen op de getoonde foto’s waren. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] over de fotoconfrontatie en zijn herkenning van de verdachte bij de rechter-commissaris onder meer heeft verklaard dat hij de ID-kaart van de verdachte met een foto en een naam had gezien. Ook heeft hij verklaard dat hij de bijnamen van de verdachte en de andere medeverdachten kende uit het dossier. Bij die vaststelling is van belang dat [medeverdachte] reeds op 11 februari 2025 werd voorgeleid en over dossierkennis moet hebben beschikt op het moment dat de herkenning van de verdachte plaatsvond. Al deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat achteraf niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld welke factoren een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de herkenning van verdachte door medeverdachte [medeverdachte] , waardoor de bewijskracht van de herkenning van de verdachte door [medeverdachte] te gering is om te kunnen dienen als (steun)bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het aan hem tenlastegelegde.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit heeft begaan. Gelet op het voormelde zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken van het bij dagvaarding I tenlastegelegde.
Ten aanzien van het bij dagvaarding II tenlastegelegde
Uit het dossier blijkt dat de politie naar aanleiding van verschillende meldingen op 30 maart 2025 ter plaatse ging bij een woning in een appartementencomplex aan de [straatnaam] te Leiden. De woning zou als drugspand worden gebruikt door verschillende personen die daar niet woonden.
In de woning op nummer 287, die met toestemming van de bewoner werd geopend, werden 12 lachgasflessen en een gripzakje met wit poeder gevonden. In de bijbehorende kelderbox, die ook met toestemming van de bewoner werd geopend, werden 29 dozen gevonden, met daarin onder meer gripzakjes, ponypacks, dozen met wit poeder, lachgas, ammoniak en andere goederen. In de kelderbox werd ook een afgesloten kluis met daarin een tas aangetroffen. In die tas werden diverse (grip)zakken aangetroffen en inbeslaggenomen ten behoeve van forensisch onderzoek en ter vaststelling van de inhoud van de verpakkingen. Er werden daarbij ook bemonsteringen gedaan ten behoeve van DNA-onderzoek en stukken van overtuiging veiliggesteld ten behoeve van dactyloscopisch onderzoek.
Uit het forensisch onderzoek bleek dat in totaal 579,9 gram MDMA en 842,4 gram cocaïne aanwezig was. Uit vergelijkend DNA-onderzoek komt naar voren dat bij negen onderzochte sporen (die van sluitstrips van gripzakjes zijn afgenomen) een DNA-mengprofiel werd aangetroffen, waarvan de verdachte telkens als één van de twee of drie mogelijke donoren van het DNA-materiaal wordt genoemd. Voorgaande is op zichzelf onvoldoende redengevend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit. Immers er is niet vast te stellen wanneer en door wie de verdovende middelen in zakjes – alledaagse, verplaatsbare objecten – zijn gestopt en hoe deze in de kelderbox terechtgekomen zijn. De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte van 11 februari 2025 tot en met 2 mei 2025 in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (in de strafzaak met parketnummer 09/043844-25).
De betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit kan hier dus niet uit worden afgeleid, vooral ook niet gelet op de tenlastegelegde periode (30 oktober 2024 tot 30 maart 2025). Nu ten aanzien van de tenlastegelegde periode op grond van het dossier geen vaststellingen kunnen worden gedaan, geldt dat ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheid – gedurende die periode – ook.
Ook met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit is de rechtbank van oordeel dat noch afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd voldoende bewijs aanwezig is voor het daadwerkelijk aanwezig hebben van voornoemde verdovende middelen in of gedurende de tenlastegelegde periode.
De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I (met parketnummer 09/043844-25) en bij dagvaarding II (met parketnummer 09/312367-25) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Snoeijer, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Ten aanzien van dagvaarding I met parketnummer 09/043844-25
hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken en/of vervaardigen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat
zij bestemd waren tot het plegen van dat feit/die feiten, te weten
- een of meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en), waaronder een of meerdere jerrycan(s) en/of emmer(s) en/of afzuigslang(en) en/of vloeistofcontainer(s) en/of vacuümzak(ken) en/of gasbrander(s) en/of droogrek(ken) en/of gasfles(sen) en/of ventilator(en) en/of centrifuge(s) en/of gasmasker(s) en/of
- een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) grondstoffen en/of chemicaliën en/of versnijdingsmiddelen, waaronder 1710 liter aceton, althans een hoeveelheid aceton en/of 56 kilo procaïne, althans een hoeveelheid procaïne en/of een hoeveelheid zoutzuur en/of een hoeveelheid ammoniak;
Ten aanzien van dagvaarding I1 met parketnummer 09/312367-25
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2024
tot en met 30 maart 2025 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging
met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 842,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 579,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
XTC/MDMA, zijnde cocaïne en/of XTC/MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.