RECHTBANK DEN HAAG
vonnis
Team handel
zaak-/rolnummer: C/09/679836 / HA ZA 25-138
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
1. DE KIJKDUINSE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.te Rotterdam,
2. DE KIJKDUINSE HERONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V. te Rotterdam,
3. DE KIJKDUINSE RETAIL ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V te Amsterdam,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat: mr. W.J.E. van der Werf te Den Haag,
tegen
GEMEENTE DEN HAAG te Den Haag,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten: mr. J.M.E. Yilmaz en mr. A. Moret te Amsterdam.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als KOM c.s. en de Gemeente. KOM c.s. worden afzonderlijk KOM, KHOM en KROM genoemd.
1. De procedure
Deze zaak betreft een geschil dat is ontstaan tussen KOM c.s., als ontwikkelaar betrokken bij de realisatie van het project Deltaplein Kijkduin in Den Haag, en de Gemeente. De rechtbank heeft in deze zaak op 18 maart 2026 een tussenvonnis gewezen. Het verloop van de procedure blijkt uit dit tussenvonnis en het B-formulier dat op 8 april 2026 namens KOM c.s. is ingediend.
2. De verdere beoordeling
Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank dezelfde definities en afkortingen gebruiken als in het tussenvonnis.
In conventie
In het tussenvonnis heeft de rechtbank – samengevat –geoordeeld dat de Gemeente zich heeft verplicht om de VOEP en de openbare ruimte behorende bij fase 1 uiterlijk op 31 december 2019 op te leveren en dat zij daarin jegens KOM en KHOM toerekenbaar is tekortgeschoten. Daarmee heeft zij bovendien onrechtmatig gehandeld jegens KROM. Omdat de mogelijkheid aannemelijk is dat KOM c.s. schade hebben geleden of nog zullen lijden, ligt de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor toewijzing gereed.
Tussen partijen was een punt van geschil of KHOM en KROM nog vorderingsgerechtigd zijn. De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat partijen zich nader mochten uitlaten over de akte van cessie van 22 augustus 2025.
In het B-formulier van 8 april 2026 hebben KOM c.s., mede namens de Gemeente, meegedeeld dat de inhoud van de akte van cessie tot uitgangspunt kan worden genomen in deze procedure, zodat een aktewisseling op dit punt achterwege kan blijven. De rechtbank concludeert daaruit dat de inhoud van die akte niet langer door de Gemeente wordt betwist en door de rechtbank als vaststaand kan worden aangemerkt. Uit de akte van cessie blijkt dat KHOM en KROM hun vorderingen op de Gemeente gedeeltelijk hebben overgedragen aan KOM: KHOM heeft haar vordering in eigendom behouden tot een bedrag van € 1.100.033,69 en KROM tot een bedrag van € 1.000. Dat betekent dat KHOM en KROM nog een belang hebben bij het instellen van de vorderingen en dat zij vorderingsgerechtigd zijn gebleven.
De vorderingen van KOM c.s. zullen daarom worden toegewezen zoals vermeld in het dictum.
In reconventie
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering tot betaling van de exploitatiebijdrage wordt afgewezen omdat KOM en KHOM die betaling mogen opschorten. De indexering van de exploitatiebijdrage en de buitengerechtelijke incassokosten moeten daardoor ook worden afgewezen. De vordering tot betaling van de factuur voor natuursteen (€ 49.138,08) zal worden toegewezen met de gevorderde wettelijke handelsrente.
In conventie en in reconventie
De Gemeente is in conventie geheel en in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en daarom moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van KOM c.s. in beide zaken worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
2.612,00
(4 punten × € 653,00)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.622,00
3. De beslissing
De rechtbank:
in conventie
verklaart voor recht dat de Gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen jegens KOM en KHOM en dat de Gemeente om die reden schadeplichtig is jegens KOM en KHOM;
verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens KROM en dat de Gemeente dientengevolge schadeplichtig is jegens KROM;
veroordeelt de Gemeente tot vergoeding van de door KOM c.s. geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
in reconventie
veroordeelt KOM en KHOM hoofdelijk tot betaling aan de Gemeente van een bedrag van € 49.138,08, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 mei 2024, tot aan de dag van algehele voldoening;
in conventie en reconventie
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van KOM c.s. van € 3.622,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de onderdelen 3.3, 3.4 en 3.5 dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. M. Knijff en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.