ECLI:NL:RBDHA:2026:13566

ECLI:NL:RBDHA:2026:13566

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 09/385618-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling mishandeling. Vrijspraak verkrachting. Alternatief scenario. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Gevangenisstraf vier maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/385618-24

Datum uitspraak: 26 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 maart 2025, 5 juni 2025 (beide pro forma) en 12 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.W. Dirkzwager naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] en de toelichting op die vordering door mr. V.C.D. Klaassen.

2. De tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort en zakelijk weergegeven is de verdenking dat de verdachte op 21 mei 2024 [aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft verkracht door zijn vuist in haar anus te brengen en heeft mishandeld.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak van feit 1 – verkrachting

De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is in deze zaak ook het geval.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

Aangeefster heeft op meerdere momenten verklaard over hetgeen zich op 21 mei 2024 heeft afgespeeld. Zo heeft zij tijdens het informatief zedengesprek van 24 mei 2024 verklaard dat de verdachte naar aanleiding van een telefoongesprek naar haar woning is gekomen. Daar kregen zij ruzie. Volgens aangeefster moest zij van de verdachte op de bank gaan liggen en zich op haar zij draaien, waarna de verdachte haar op haar bovenbenen heeft geslagen en gestompt. Daarna moest zij van de verdachte naar boven gaan en haar broek uittrekken. De verdachte is toen meermalen met zijn vuist in haar anus binnengedrongen, waarbij zij zich niet mocht bewegen, aldus aangeefster. Volgens aangeefster heeft de verdachte nadien zijn handen afgeveegd aan keukenpapier en dit in de prullenbak gegooid. De verdachte heeft de woning vervolgens verlaten.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster ook in haar aangifte van 28 mei 2024 en later, op 15 december 2025 bij de rechter-commissaris in grote lijnen gelijkluidend heeft verklaard. . Hoewel sprake is van enkele inconsistenties in haar verklaringen, acht de rechtbank deze niet van dien aard dat de verklaringen in hun geheel als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Met name ten aanzien van de gestelde seksuele handelingen heeft aangeefster consistent verklaard. Daarbij heeft zij concreet en gedetailleerd beschreven hoe het incident die avond volgens haar heeft plaatsgevonden. De verklaringen komen authentiek en niet aangedikt over. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig is.

Steunbewijs

De rechtbank overweegt dat het dossier verschillende bewijsmiddelen bevat die de verklaring van aangeefster ondersteunen. Aangeefster is op 24 mei 2024 bij een huisarts geweest die letsel aan haar anus heeft geconstateerd. Daarnaast is het keukenpapier waarover aangeefster heeft verklaard, in haar woning inbeslaggenomen en onderzocht en is hierop DNA van zowel aangeefster als van de verdachte aangetroffen. Ten slotte hebben verschillende familieleden van aangeefster in de dagen na het incident hevige emoties bij haar gezien. Haar moeder heeft verklaard dat zij aangeefster overstuur aantrof. Haar nicht heeft verklaard dat zij aan de telefoon een hysterische en verdrietige aangeefster hoorde. De zus van aangeefster heeft verklaard dat aangeefster een “wrak” was en dat zij niet eerder iemand met zoveel pijn en verdriet had gezien.

Alternatieve scenario van de verdachte

De verdachte heeft ook verklaringen afgelegd over hetgeen zich op 21 mei 2024 heeft afgespeeld. Daarbij heeft de verdachte een alternatief scenario naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij naar de woning van aangeefster is gegaan, dat zij ruzie hebben gekregen en dat hij haar hard met zijn vuist op haar benen heeft geslagen. Daarna hebben zij de ruzie bijgelegd en is hij naar huis gegaan. De verdachte ontkent dat hij aangeefster (met zijn vuist) heeft verkracht. Hij heeft verklaard dat de aangeefster en hij al jarenlang een relatie hadden, dat zij regelmatig anale seks hadden en dat deze seks er hard aan toe kon gaan. Twee of drie dagen voor het incident op 21 mei 2024 heeft de verdachte voor het laatst anale seks met aangeefster gehad, aldus de verdachte, waarna hij zijn penis heeft afgeveegd aan keukenpapier.

De rechtbank overweegt dat ook de verdachte consistente verklaringen heeft afgelegd. De verdachte heeft zijn lezing direct bij de politie naar voren gebracht, zonder kennis van het tegen hem verzamelde bewijs. De rechtbank overweegt dat, net als bij de verklaring van aangeefster, sprake is van enkele inconsistenties in zijn verklaring, maar vindt ook deze niet van zodanig gewicht dat het alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de verklaring van de verdachte over het afvegen van zijn penis aan het keukenpapier na de anale seks een aantal dagen voor het incident pas komt na doorvragen van de politie, maar dit kan ook worden verklaard door de omstandigheid dat de verdachte pas ruim een half jaar na het incident door de politie is gehoord.

De rechtbank overweegt dat het hiervoor genoemde steunbewijs ook kan worden verklaard vanuit het door verdachte geschetste alternatieve scenario. Het geconstateerde letsel aan de anus van de verdachte past ook bij de verklaring dat aangeefster en de verdachte regelmatig anale seks hadden, waarbij de laatste keer enkele dagen voor 21 mei 2024 was. Het DNA van de verdachte dat is aangetroffen op het keukenpapier kan ook worden verklaard doordat hij daarna zijn penis hieraan heeft afgeveegd.. Ten slotte kan de waargenomen hevige gemoedstoestand bij aangeefster ook worden verklaard doordat de verdachte haar tijdens de ruzie hard heeft geslagen met zijn vuist op haar bovenbenen als gevolg waarvan aangeefster, blijkens de foto’s in het dossier hele grote blauw/zwarte plekken had.

Oordeel rechtbank

Het aldus door verdachte geschetste alternatieve scenario acht de rechtbank niet zodanig ongeloofwaardig of onaannemelijk dat dit zonder meer terzijde kan worden geschoven. Dat scenario dient daarom te worden weerlegd, nu de rechtbank anders niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd onder 1 primair en subsidiair. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen voor die weerlegging evenwel onvoldoende aanknopingspunten.

Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de zich in het dossier bevindende appjes tussen aangeefster en de verdachte ruimte laten voor de mogelijkheid dat zij elkaar een paar dagen voor 21 mei 2024 hebben gezien.

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken.

De rechtbank is zich ervan bewust dat deze beslissing voor aangeefster zwaar zal zijn. Zij heeft immers toegelicht welke impact het handelen van de verdachte op haar heeft gehad en dat zij daar tot op heden nog onder lijdt. De rechtbank vindt het daarom van belang om op te merken dat dit oordeel niet betekent dat de aangeefster niet wordt geloofd. De rechtbank kan echter niet vaststellen welk van de twee scenario’s (dat van aangeefster of dat van de verdachte) als het meest aannemelijk moet worden beschouwd. In het geval de rechtbank dat niet kan vaststellen, moet vrijspraak volgen.

Gebruikte bewijsmiddelen voor feit 2 – mishandeling

De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024163607, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 383).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 mei 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 28 mei 2024 (p. 11-24);

3. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon (inclusief fotobladen), opgemaakt op 24 mei 2024 (p. 26-65).

De bewezenverklaring ten aanzien van feit 2

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 21 mei 2024 te Zoetermeer [aangeefster] heeft mishandeld door meermalen- op de benen van die [aangeefster] te stompen en te slaan.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van degene met wie hij gedurende lange tijd een relatie heeft gehad en met wie hij – op 21 mei 2024 – ook weer in een affectieve relatie stond. Op de avond van 21 mei 2024 is de verdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan, waar tussen hen een ruzie ontstond. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer mishandeld door meermalen met zijn vuist op haar benen te slaan en te stompen. Het slachtoffer heeft als gevolg van de mishandeling letsel opgelopen, bestaande uit meerdere bloeduitstortingen en enorme blauwe plekken op haar benen. Daarnaast heeft de mishandeling plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen, en was blijkens de verklaringen van aangeefster sprake van een vernederende setting. Met zijn handelen heeft de verdachte zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en bovendien ernstig inbreuk gemaakt op haar gevoel van veiligheid. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote impact op haar heeft gehad en zij sindsdien zeer angstig is geworden.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 april 2026. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat. De verdachte heeft geen acute problemen op de verschillende leefgebieden en leidt een ogenschijnlijk stabiel leven. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Strafsoort en-maat

Bij de beslissing over de strafsoort- en maat heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Voorlopige hechtenis

Dit betekent dat de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis de opgelegde straf overstijgt. De rechtbank zal om die reden het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.000,-, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aansluiting te zoeken bij de richtlijnen voor licht lichamelijk letsel zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal en de vordering tot schadevergoeding te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, te weten een mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is sprake van lichamelijk letsel. Eén en ander kan aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vordering en vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak, de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 mei 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Schaaf, voorzitter,

mr. J.L.E. Bakels, rechter,

mr. M. Rootring, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Schaaf
  • mr. J.L.E. Bakels
  • mr. M. Rootring

Griffier

  • mr. C.B. Pluim

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand