ECLI:NL:RBDHA:2026:13568

ECLI:NL:RBDHA:2026:13568

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL25.39177
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39177 V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser]

geboren op [geboortedag] 1967, van Surinaamse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

Bij besluit van 10 oktober 2024 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiser om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 30 april 2026. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser, [referente] (referente), de dochter van referente en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en besluitvorming

2. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit, verblijft in Suriname en is sinds circa tien jaar getrouwd met referente. Eiser wenst in Nederland bij zijn echtgenote te verblijven en heeft daarom op 1 maart 2024 een aanvraag gedaan om een mvv.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat referente niet aan het middelenvereiste voldoet en hier niet van kan worden vrijgesteld. Verder is volgens verweerder de afwijzing niet in strijd met artikel 8 van het EVRM1 en is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. Er is volgens verweerder niet aangetoond dat het inkomen zo stabiel en regelmatig is dat hiermee het gezin onderhouden kan worden zonder een beroep te doen op de openbare kas, te meer nu de kosten zullen stijgen met de komst van eiser. Hierbij overweegt verweerder onder meer dat referente al hulp van de staat krijgt in de vorm van toeslagen, haar dochter geen vast contract heeft en geen waarde kan worden gehecht aan de garantstelling.

4. De aanvraag van eiser is afgewezen, omdat referente niet voldoet aan het middelenvereiste uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Op grond van dit artikel moet de gezinshereniger (dus referente) beschikken over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om haarzelf en haar gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. In de Nederlandse situatie wordt voldaan aan het middelenvereiste als duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen wordt beschikt als bedoeld in de artikelen 3.73, 3.74 en 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Tussen partijen is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste.

5. Ook als niet aan het middelenvereiste wordt voldaan, kunnen, gelet op het arrest Chakroun2, de individuele omstandigheden aanleiding geven om aan te nemen dat de middelen dusdanig stabiel en regelmatig zijn dat geen beroep op de bijstand dreigt. Dat houdt in dat wanneer referente kan aantonen dat er wel degelijk sprake is van een stabiel en regelmatig inkomen dat volstaat om haarzelf en de gezinsleden te onderhouden, er geen aanleiding bestaat om de aanvraag om gezinshereniging af te wijzen.3

6. Eiser voert aan dat referente voldoende middelen heeft om in het levensonderhoud van haarzelf en eiser te voorzien, zodat zij niet ten laste komen van de Staat. Verweerder heeft bij de beoordeling te weinig waarde gehecht aan het stabiele en regelmatige inkomen van referente en de garantstelling en overschrijvingen van de dochter welke volgens het arrest Chakroun kunnen worden meegenomen. Verweerder hecht ten onrechte zwaar gewicht aan het feit dat referente toeslagen ontvangt, terwijl deze in het kader van de individuele toets wel kunnen worden meegenomen. Verder weegt verweerder ten onrechte het schuldverleden van referente mee, nu dit al meer dan zes jaar geleden is.

7. Het betoogt van eiser slaagt. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het arrest Chakroun, dat verweerder het middelenvereiste ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen. Referente heeft onderbouwd dat sprake is van stabiele en regelmatige inkomsten. Zij heeft een vast contract voor 24 (inmiddels 25 uur) per week bij een werkgever waar zij al sinds 2012 werkt waaruit een deel van haar inkomen volgt. Verder heeft verweerder bij de beoordeling of sprake is een stabiel en regelmatig (en voldoende) inkomen om henzelf, en eiser in de toekomst, te onderhouden, onvoldoende betrokken dat dochter financieel

1. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

2 Arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, C-578/08, ECLI:EU:C:2010:1174.

3 Zie ook Werkinstructie 2021/7 Middelen van bestaan.

bijdraagt. De dochter heeft een contract bij [bedrijf] en heeft verklaard garant te staan en

€ 600,- per maand bij te dragen. Dat het contract van haar dochter een nul uren contract betreft en haar diensten onregelmatig zijn, doet hier niet aan af. Van belang is dat zij aantoonbaar per maand voldoende verdient, rond kan komen en bij kan springen. Dat de dochter garant kan staan en kan bijdragen wanneer eiser naar Nederland komt, heeft zij aannemelijk gemaakt met haar inkomsten. Dat referente verder huur- en zorgtoeslag ontvangt, mag niet aan haar worden tegengeworpen. Hoewel toeslagen niet worden aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, worden deze wel meegenomen bij de individuele beoordeling, omdat deze gelet op het arrest Chakroun een inkomstenbron zijn. Daarmee heeft eiseres aangetoond dat geen beroep op de sociale bijstand dreigt.

Conclusie

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte het middelenvereiste aan eiser heeft tegengeworpen. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Hirzalla

Griffier

  • mr. J.L. van Egmond

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand