RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50997
[naam] , geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [nummer], [naam], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [nummer],[naam], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft voor zijn zus en broers een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 september 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen. Eisers zijn meerderjarig en vallen niet onder het jongvolwassenenbeleid. Hierbij betrekt de minister dat zij stappen hebben gezet richting zelfstandigheid. Daarnaast hebben ze ook niet aannemelijk gemaakt dat tussen hen en hun ouders sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Volgens de minister bestaan er hechte persoonlijke banden tussen referent en eisers onderling. Hoewel sprake is van familieleven tussen hen in de zin van artikel 8 van het EVRM, valt de belangenafweging in hun nadeel uit.Peilmoment
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister een onjuist peilmoment heeft gehanteerd. Volgens eisers geldt als peilmoment het moment dat referent Nederland binnenkwam, te weten 17 november 2021. Eisers baseren dit op WI 2024/4.
6. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het wat betreft eisers om een reguliere gezinsherenigingsprocedure gaat op grond van artikel 8 van het EVRM. Eisers vallen dus niet onder het nareisbeleid, zodat WI 2024/4 op hen niet van toepassing is. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor de beoordeling of er familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is, de datum van het besluit het peilmoment is. De beroepsgrond slaagt dus niet.Jongvolwassenenbeleid
7. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen. Het klopt dat zij enkele stappen richting zelfstandigheid hebben gezet, maar zij kunnen niet in hun eigen onderhoud voorzien. Bovendien hebben zij altijd met hun familie samengewoond en geen zelfstandig gezin gevormd.
De minister heeft het jongvolwassenenbeleid gebaseerd op arresten van het EHRM. Door het EHRM is in verschillende arresten aangenomen dat er familie- en gezinsleven kan bestaan tussen een meerderjarig kind dat met zijn ouders samenwoont en geen eigen gezin heeft gevormd, zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid. Met het jongvolwassenenbeleid wordt hierbij door de minister aangesloten door familie- en gezinsleven aan te nemen tussen een kind en de ouder(s) als dat kind ook na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder(s). Familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM wordt dan uitsluitend aangenomen als het meerderjarige kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in het eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd.Als het meerderjarige kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, valt het niet
onder het jongvolwassenenbeleid.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Met werken en zorgen voor hun moeder hebben eisers namelijk stappen richting zelfstandigheid gezet. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat referent heeft verklaard dat eisers niet financieel afhankelijk waren van hun vader. Referent verklaart dat toen hij nog in Irak woonde, het gezin leefde van het inkomen van de oudste broer en het geld van weldoeners. Bovendien is niet gebleken dat eisers niet in staat zijn zichzelf financieel staande te houden, want zij verdienen immers zelf ook wat geld met werken. Centraal in het jongvolwassenenbeleid staat de gestelde afhankelijkheid van de jongvolwassene van de ouders. De minister heeft terecht gesteld dat er tussen eisers en hun ouders sprake was van een omgekeerde afhankelijkheid. De ouders werkten niet en waren dus voor hun onderhoud afhankelijk van het inkomen van hun kinderen. Daarnaast zorgden eisers voor hun moeder vanwege haar medische situatie. Hierbij heeft de minister erop mogen wijzen dat ook na het vertrek van de ouders uit Irak eisers op geen enkele manier afhankelijk zijn van hun ouders. Referent verklaart immers dat hij geld opstuurt naar Irak en zijn broers en zus hem bellen voor advies. Deze financiële en morele steun kan ook op afstand blijven plaatsvinden. Bijkomende elementen van afhankelijkheid
8. Eisers voeren aan dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zij hebben als gezin altijd samengewoond in Irak. Verder zijn eisers financieel afhankelijk van de steun van hun familie. Binnen het gezin is sprake van hechte persoonlijke banden door wat ze samen hebben meegemaakt in Irak. Hierdoor is sprake van emotionele afhankelijkheid van elkaar. Hierbij wijst eiseres nog op de psychische problemen waar zij mee kampt.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de minister zich op het standpunt stelt dat eisers niet voldoen aan het jongvolwassenenbeleid moet de minister vaststellen of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan familie- en gezinsleven moet worden aangenomen. Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. De rechtbank mag het onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering bij de beoordeling of er familie- en gezinsleven bestaat volledig toetsen, maar moet de uitkomst van die beoordeling met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat tussen eisers en hun ouders geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Hierbij heeft de minister er allereerst op kunnen wijzen dat het normaal is in de Iraakse cultuur dat zij als gezin altijd hebben samengewoond. Daarbij is onder r.o. 7.2. al uiteengezet waarom er geen sprake is van financiële afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders. Daarnaast heeft de minister kunnen vinden dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen en hun ouders een zodanige band bestaat dat zij niet in staat zijn om apart van elkaar te leven. Los van dat eiseres haar psychische problemen niet met originele documenten heeft onderbouwd, is onder r.o. 7.2. al uiteengezet dat de morele steun zoals die nu plaatsvindt ook op afstand kan blijven plaatsvinden. Hierbij heeft de minister er op kunnen wijzen dat eiseres ook een beroep kan doen op haar netwerk van overige familieleden, waaronder haar getrouwde zussen in Irak. Bovendien hebben de ouders van eisers sinds hun komst naar Nederland in maart 2025 toegang tot de juiste zorg en medische voorzieningen, waardoor zij niet afhankelijk zijn van de zorg van hun kinderen. Hoewel de minister aanneemt dat er sprake is van hechte persoonlijke banden door wat het gezin heeft meegemaakt in Irak, betekent ook dit niet dat de bijkomende elementen van afhankelijkheid moeten worden aangenomen. Tot slot stelt de minister terecht dat elementen die samenhangen met de algemene omstandigheden in Irak asielgerelateerd zijn en niet meewegen. Belangenafweging
9. Tot slot voeren eisers aan dat de minister geen juiste belangenafweging heeft verricht. De minister had een volledige belangenafweging moeten verrichten waarbij in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond kan worden toegekend, de banden met Nederland en het land van herkomst en objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen moet worden meegewogen. Nu niet gebleken is dat de minister een dergelijke belangenafweging heeft verricht, is volgens eisers sprake van een motiveringsgebrek. Eisers wijzen hierbij nogmaals op de hechte familiebanden door hetgeen zij samen hebben meegemaakt. Daarnaast zijn er ook objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Volgens eisers is het onjuist dat zij sterkere banden hebben met Irak dan met Nederland. In Irak voelen zij zich namelijk niet welkom, omdat zij gediscrimineerd worden vanwege het jezidi zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevoerd het vreemd te vinden dat het economische belang van de Nederlandse staat zo zwaar in hun nadeel meeweegt.
De minister heeft geconcludeerd dat tussen referent en eisers hechte persoonlijke banden bestaan en aangenomen dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. In geschil is of de minister de belangenafweging vervolgens in het nadeel van eisers heeft kunnen laten uitvallen. Bij de beantwoording van de vraag of inmenging in het familie- of gezinsleven beschermd door artikel 8 van het EVRM is gerechtvaardigd, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrokken en de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eisers uit laten vallen. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat ondanks dat de ouders van eisers nu in Nederland zijn en er sprake is van een etnisch conflict in het land van herkomst, de banden met Irak het sterkst blijven. De rechtbank wijst erop dat de minister al bij de afwijzing van de aanvraag heeft uitgelegd dat er slechts weinig gewicht toekomt aan de hechte banden tussen de kinderen onderling. De minister wijst er daarbij op dat het in het belang van het kind is dat het gezinsleven tussen referent en zijn ouders, de hoofdverzorgers, gewaarborgd wordt en het gezinsleven tussen referent en eisers daaraan ondergeschikt is. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het economisch belang van de Nederlandse staat weliswaar zwaar weegt, maar dat alle belangen zijn meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen niet juist gewogen zijn.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Voor vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.