[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1995, van Ghanese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).
Inleiding
1. Met het besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot vernieuwing van zijn verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht per 9 augustus 2018 is komen te vervallen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [persoon 1] (de moeder van het kind van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag om vernieuwing van het verblijfsdocument van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. Eiser is op 17 juni 2016 vader geworden van een Nederlands kind, [persoon 2] . Omdat hij bij zijn kind wilde verblijven heeft hij op 17 november 2017 gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Bij beschikking van 25 januari 2018 heeft hij een verblijfsdocument EU/EER gekregen voor de duur van vijf jaar op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Omdat de verkregen vergunning afliep, heeft eiser op 20 januari 2023 een aanvraag ingediend voor vernieuwing van zijn verblijfsdocument.
Besluitvorming
4. De aanvraag van eiser is door verweerder met het primaire besluit afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige Nederlandse kind. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kind dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verder heeft verweerder de aanvraag van eiser getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is er wel sprake van gezinsleven met het kind en (een beperkt) privéleven in Nederland, maar weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser. Tot slot is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en moet hij binnen vier weken terugkeren naar Ghana.
Juridisch kader
5. Om vast te kunnen stellen of er rechtmatig verblijf is op grond van Chavez-Vilchez is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Eén zo’n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland. In paragraaf B10/2.5 van de Vc staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan:
de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken;
de vreemdeling moet een kind jonger dan achttien jaar hebben dat in het bezit is van
de Nederlandse nationaliteit;
de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de
vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Het is aan de vreemdeling om met voldoende bewijsstukken aan te tonen dat hij aan deze voorwaarden voldoet. Voor het vaststellen van een recht op Chavez-Vilchez is de periode vanaf het moment van aanvraag tot aan het besluit van belang. In beroep ligt daarom de periode tot het bestreden besluit voor.
De bovengenoemde vereisten uit de Vc zijn niet cumulatief. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet goed voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.
Zorg- en opvoedingstaken
6. Allereerst voert eiser aan dat hij meer dan marginale zorgtaken voor zijn kind verricht. Hij heeft verschillende foto’s overgelegd waarop hij met zijn kind is te zien en ook bewijzen waaruit blijkt dat hij zijn kind naar school brengt en haalt met de taxi (Uber). Ook heeft hij een eigen verklaring overgelegd waarin hij uitgebreid zijn zorg- en opvoedtaken heeft toegelicht. Ook tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure heeft eiser uitgelegd op welke wijze hij invulling geeft aan de zorg- en opvoedtaken voor zijn kind. De moeder van het kind heeft ook schriftelijk verklaard dat eiser actief betrokken is bij de opvoeding van hun kind en dat eiser regelmatig tijd met haar doorbrengt. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de samenwoning van eiser met zijn kind als voorwaarde heeft gesteld.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft bij zijn oordeel mogen betrekken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de verlening van het verblijfsdocument aan eiser in januari 2018. Dit is omdat uit de BRP blijkt dat hij sinds 9 augustus 2018 op een ander adres woont dan zijn kind. Omdat eiser niet heeft aan kunnen tonen waar hij vanaf die tijd heeft verbleven, mocht verweerder deze omstandigheid betrekken bij de vraag of er (nog steeds) sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken.
Ter onderbouwing van de daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken heeft eiser het volgende overgelegd: een overzicht van twaalf Uber-ritten, vijf overboekingen van geldbedragen aan de moeder van zijn kind, een aantal foto’s, een verklaring van de moeder en een arbeidsovereenkomst.
De rechtbank is van oordeel dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht. Verweerder heeft daarbij het volgende in aanmerking mogen nemen. Voor zover al aangenomen moet worden dat eiser de Uber-ritten heeft gemaakt waarvan hij de betaalbewijzen heeft overgelegd, kan daaruit alleen worden afgeleid dat eiser een beperkt aantal ritten heeft gemaakt van één tot vijf keer per maand in 2023. Daarnaast heeft eiser alleen laten zien dat hij in april en mei 2021 relatief kleine geldbedragen heeft overgemaakt aan de moeder van hun kind. Nog daargelaten of die bedragen bedoeld waren voor de verzorging van hun kind, is niet gebleken dat eiser ook nadien nog geld aan de moeder heeft overgemaakt. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat foto’s slechts momentopnames zijn waaruit niet kan worden afgeleid in hoeverre eiser zorg- en opvoedtaken verricht. Voor zover de moeder van het kind op de zitting heeft verklaard dat de school kan verklaren dat eiser zich vaak laat zien, zijn daarvan geen stukken overgelegd. Dit heeft eiser niet gedaan, ondanks dat hij op de hoorzitting te kennen heeft gegeven dat hij onder meer die stukken zou overleggen. Ook in de overgelegde verklaringen van buurvrouwen van de moeder van het kind, hoefde verweerder geen aanknopingspunten te zien om meer dan marginale zorgtaken aan te nemen, omdat die te weinig relevante concrete informatie bevatten over de omgang van eiser met zijn dochter. Tot slot hoefde verweerder aan de subjectieve verklaring van de moeder over de dagelijkse zorgtaken van eiser geen overwegende betekenis toe te kennen, omdat die verklaring niet wordt ondersteund door objectieve stukken. De beroepsgrond slaagt niet.
Afhankelijkheidsrelatie
7. Verder voert eiser aan dat er sprake is van een daadwerkelijke
afhankelijkheidsrelatie met zijn kind. Eiser speelt al sinds 2017 een belangrijke rol in het leven van zijn kind. Verweerder gaat er te gemakkelijk van uit dat eiser zijn vaderrol en de hieraan verbonden verplichtingen ook op afstand kan voortzetten. Zijn dochter is zeer gehecht aan haar vader en een gedwongen scheiding zal schadelijk zijn voor haar verdere ontwikkeling.
Verweerder wijst er allereerst terecht op dat, hoewel de aanwezigheid van beide ouders wenselijk en bevorderlijk is voor de ontwikkeling van de kinderen, eiser niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat een scheiding van zijn kind onevenredige gevolgen zal hebben, bijvoorbeeld vanwege een achterstand in haar emotionele of geestelijke ontwikkeling. Verweerder heeft in het bestreden besluit kenbaar de belangen van het kind en de relevante omstandigheden meegewogen. Verweerder heeft daarbij mogen meewegen dat eiser niet met stukken of verklaringen heeft aangetoond dat een normale lichamelijke en emotionele ontwikkeling van zijn kind in het geding is. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat eiser wel gezag heeft over zijn kind, maar sinds haar geboorte haar hoofdverblijf bij haar moeder in Nederland heeft en dat de moeder ook de primaire verzorger van het kind is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat zijn kind gedwongen wordt de Europese Unie te verlaten als aan eiser geen verblijfrecht wordt verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
8. Tot slot voert eiser aan dat verweerder niet goed getoetst heeft aan artikel 8 van het EVRM en dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uit had moeten vallen.
Niet in geschil is dat er een gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn dochter en dat hij in Nederland een privéleven heeft opgebouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen afhankelijkheidsrelatie is, zodat verweerder de belangen van zijn dochter niet in het voordeel van eiser mee hoeft te wegen. Tegen de overige onderdelen van de belangenafweging heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd. De beëindiging van het verblijfsrecht van eiser is daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de
voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.39181,
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.39184,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de
uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.