RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.58548 (beroep) en NL25.58549 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag] 1997, van Afghaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat een samenvatting van het asielrelaas van eiser. Onder 4 staat een omschrijving van het bestreden besluit. Onder 5 staan de beroepsgronden van eiser. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
De minister heeft met het bestreden besluit van 21 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en K. Wali als tolk in de taal Pashtu. De minister is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit maar heeft vanaf zijn geboorte in Pakistan gewoond. Eiser is gevlucht uit Pakistan omdat de autoriteiten van Pakistan ongedocumenteerde Afghanen zoals eiser willen uitzetten naar Afghanistan. Hij kan echter niet naar Afghanistan, omdat hij op een lijst van de Taliban staat. Zijn vader heeft namelijk in Pakistan als informant voor de [bedrijf] van het vorige regime van Afghanistan gewerkt. Daarbij werkte hij tegen de Taliban door leden van de Taliban aan te wijzen. In 2016 is eiser voor het eerst met zijn vader en broer naar Afghanistan gegaan. Toen zij de grens overstaken van Pakistan naar Afghanistan, zijn zij beschoten. Eiser vermoedt dat de Taliban verantwoordelijk was voor de beschieting. De broer van eiser is bij de beschieting gedood en eiser is ook meerdere keren geraakt. Eiser raakte bewusteloos en werd wakker in het ziekenhuis in Peshawar. Een deel van de kogels kon niet verwijderd worden en is dus in zijn lichaam achtergebleven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de Taliban acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit betekent dat de minister verder beoordeelt of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, b, c en e, van de Vw 2000.
De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft vermoedelijk met opzet boardingpasses onder zijn eigen naam en zijn Pakistaanse paspoort vernietigd of weggemaakt. Immers valt niet in te zien dat eiser met het valse Noorse paspoort die boardingpasses met een andere naam erop zou hebben verkregen en ook niet dat eiser die delen van zijn reis gemaakt heeft met het Noorse paspoort. Verder heeft eiser verklaringen afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Daar komt bij dat eiser een document (tazkera) heeft overgelegd dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet bevoegd is opgemaakt en afgeven. Met betrekking tot de kern van zijn asielrelaas heeft eiser een document (overlijdensakte broer) afgegeven dat niet in dezelfde staat is opgemaakt en afgegeven. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d en e, van de Vw 2000.
De minister legt eiser een terugkeerbesluit op. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook legt de minister eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op.
De beroepsgronden van eiser
5. Eiser stelt voorop dat de minister de activiteiten van zijn vader voor de [bedrijf] van het vorige regime van Afghanistan ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Ten onrechte wordt eiser tegengeworpen dat hij te weinig weet over de activiteiten van zijn vader in Pakistan. De vader vertelde niets over de activiteiten omdat die geheim waren. Juist omdat eiser onvoldoende kennis had over de activiteiten, heeft hij zijn vader verzocht om een nadere verklaring. Deze verklaring is gedetailleerd, specifiek en getuigt van exacte kennis en informatie waarover een leek niet kan beschikken. De minister heeft ten onrechte geen waarde aan de verklaring toegekend.
Eiser voert verder aan dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn beperkingen (analfabetisme, geheugenproblematiek, problemen met terughalen en plaatsten van exacte data, wisselende en verkorte concentratie en vertraagd vermogen om de vraagstelling te begrijpen). Juist vanwege die beperkingen heeft eiser geheel afhankelijk van de aanwijzingen van meerdere reisagenten gehandeld. De medische beperkingen zijn een verklaring voor het niet volledig kunnen verklaren en de gestelde afhankelijkheid van de reisagenten. De minister miskent ook dat de beschieting in 2016, bijna tien jaar geleden, heeft plaatsgevonden. Dan is het niet vreemd dat de verklaringen over die gebeurtenissen summier en verward overkomen, zeker als daarbij de beperkingen van eiser worden meegewogen.
Eiser voert ook aan dat de route die hij tijdens zijn vlucht heeft afgelegd, die voor een klein deel door Afghanistan liep, niet wil zeggen dat er geen vrees is voor de Taliban. Eiser had geen andere keuze dan gedeeltelijk door Afghanistan te reizen onderweg vanuit Pakistan naar Iran. Nu dit in het geheim plaatsvond onder begeleiding van een reisagent, die wist waar de controleposten van de Taliban zich bevonden en hoe deze te omzeilen, valt niet in te zien waarom dit de vrees uitsluit.
Verder voert eiser aan dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft uitgelegd dat en waarom hij nooit een authentiek Pakistaans paspoort heeft kunnen krijgen omdat hij, zoals aangetoond, de Afghaanse nationaliteit bezit. Hoe de reis en boarding passes door de reisagent zijn geregeld weet eiser niet en kon hij ook niet weten omdat het hem niet is verteld.
Tot slot voert eiser aan dat hij geen sociaal netwerk heeft in Afghanistan en dat hij zich daarom niet staande zal kunnen houden. De minister heeft dit ten onrechte niet van belang geacht.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen vaststellen dat het asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd. De minister heeft daarom artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 mogen toepassen.
De rechtbank overweegt dat het asielrelaas van eiser op hoofdlijnen inhoudt dat hij is gevlucht vanwege de activiteiten van zijn vader voor het voormalige regime van Afghanistan. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser deze activiteiten onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft zelf vrijwel niets verklaard over de activiteiten. Verder heeft hij enkel een verklaring van zijn vader overgelegd. De minister heeft mogen tegenwerpen dat deze verklaring niet afkomstig is van een objectieve bron en dat aan de verklaring daarom niet veel bewijswaarde toekomt. Temeer omdat de overlijdensakte die eiser via zijn vader heeft gekregen, volgens Bureau Documenten niet in dezelfde staat is opgemaakt en afgegeven. Ook de tazkera die eiser via zijn vader heeft gekregen, is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden en niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Eiser en zijn vader hebben zich hiermee bereid getoond om documenten over te leggen die niet kloppen. De minister hoeft daarom niet veel bewijswaarde aan de verklaring van de vader over zijn activiteiten toe te kennen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschieting in 2016 verband houdt met de activiteiten van zijn vader voor het voormalige regime van Afghanistan. Hoewel eiser met de medische stukken die hij in beroep heeft overgelegd aannemelijk heeft gemaakt dat hij is beschoten, blijkt uit het letsel niet wanneer en op welke wijze eiser dit letsel heeft opgelopen en dus ook niet dat dit het gevolg is van een aanslag door de Taliban. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de Taliban is beschoten vanwege de activiteiten van zijn vader voor het voormalige regime van Afghanistan.
Daar komt bij dat eiser verschillende stukken heeft overgelegd die niet stroken met zijn verklaringen. De inhoud van het politierapport en ziekenhuisrapport zijn tegenstrijdig met zijn verklaringen over de beschieting. Ook bevat het valse Noorse paspoort waarmee eiser zou hebben gereisd, geen stempels die zijn gestelde reisbewegingen onderbouwen. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser mede hierom niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Dat eiser een beperkt referentiekader heeft, maakt dit niet anders. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van de verklaringen voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft mogen tegenwerpen dat het op de weg van eiser had gelegen om het aan te geven als hij iets niet zeker wist, of zijn verklaringen later te corrigeren in de correcties en aanvullingen. Nu eiser dit niet heeft gedaan, heeft de minister mogen uitgaan van de verklaringen van eiser.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank ook van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Dat eiser via Afghanistan is gereisd, vindt de rechtbank niet afdoen aan de gestelde vrees, omdat eiser met behulp van een reisagent is gereisd. Dit neemt echter niet weg dat eiser zijn vrees voor de Taliban vanwege de activiteiten van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Afghanistan een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij geen netwerk heeft in Afghanistan. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL.25.58548:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.58549:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.