ECLI:NL:RBDHA:2026:13603

ECLI:NL:RBDHA:2026:13603

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL25.19431
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

afwijzing aanvraag faciliterend visum

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.19431

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2008, van Pakistaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M. Berg),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum.

Met het besluit van 23 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum afgewezen.

Met het besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] (referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen H. Abdulla, tolk in de Engelse taal.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiser woont samen met zijn moeder in Pakistan. Referent is zijn broer. Referent heeft de Portugese nationaliteit en is woonachtig in [plaats] . Op 23 juli 2024 heeft eiser verzocht om de afgifte van een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn).

Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat eiser ten laste komt van referent en/of zijn echtgenote en daarom niet kan worden aangemerkt als familielid in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn en artikel 8.7, tweede lid, van het Vb. Volgens verweerder is onvoldoende aangetoond dat eiser afhankelijk is van de financiële ondersteuning door referent. Verweerder stelt dat niet is aangetoond wat de herkomst is van de bijschrijvingen op de bankafschriften van de moeder van eiser in de periode van juni 2023 tot en met januari 2025. Volgens verweerder zijn er ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het geld dat door referent naar zijn moeder is overgemaakt, wordt gebruikt voor de basisbehoeften van eiser, zoals eten, drinken, gas, water, licht, huisvesting, kleding of medicatie. Verweerder stelt dat eiser niet heeft aangetoond waarvoor het geld is overgemaakt en ook niet op andere wijze heeft aangetoond waar het geld voor is gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank

3. Eiser voert aan dat hij op grond van de Richtlijn recht heeft op verblijf in Nederland. Eiser voert aan dat hij voor zijn basisbehoeften altijd volledig afhankelijk is geweest van referent. Gelet op zijn leeftijd is het evident dat eiser niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast blijkt de noodzaak van financiële ondersteuning volgens eiser uit de affidavit. Uit de verklaring van FBR Pakistan blijkt verder dat zijn moeder geen inkomen heeft. Eiser stelt dat niet in geschil is dat referent geld overmaakt naar zijn moeder, dat zijn moeder geen inkomen heeft en dat eiser te jong is om in zijn levensonderhoud te voorzien. Volgens eiser is onder die omstandigheden geen andere conclusie mogelijk dan dat sprake is van reële en noodzakelijke ondersteuning welke meer dan een jaar regelmatig is betaald. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat alle transacties voor de kosten van de eerste levensbehoeften contant plaatsvinden en dat referent in het verleden geld heeft uitgeleend aan verschillende familieleden en dat hij terugbetalingen daarvan op de rekening van zijn moeder liet storten.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 van de Richtlijn is bepaald dat een familielid van een burger van de Unie gefaciliteerd kan worden bij het verkrijgen van een visum om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen. Niet in geschil is dat eiser niet valt onder de definitie van ‘familielid’, als neergelegd in artikel 2 van Richtlijn, omdat hij geen bloedverwant is in neergaande of opgaande lijn van referent. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn is bepaald dat deze richtlijn ook van toepassing is op andere, niet onder de definitie van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn vallende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de burger van de Unie die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet, of die vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven.

De rechtbank kan het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk ten laste komt van referent volgen. Onder het begrip ‘ten laste van’ moet worden verstaan een situatie van reële afhankelijkheid waarin materiële ondersteuning nodig is en waar deze reeds voor langere periode voor de verblijfsaanvraag bestaat. Referent heeft ter zitting toegelicht dat hij financieel verantwoordelijk is voor eiser en zijn moeder, omdat zij niet werken. Daarnaast zijn bankafschriften en geldoverboekingen overgelegd waaruit blijkt dat referent geld naar zijn moeder in Pakistan stuurt. Uit de door eiser overgelegde affidavit van 4 oktober 2023 volgt dat eiser en zijn moeder financieel afhankelijk zijn van referent. Verder heeft eiser een verklaring van een psychiater van 8 januari 2025 overgelegd waarin staat dat referent geld naar eiser stuurt.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat het geld dat door referent naar zijn moeder is overgemaakt, wordt gebruikt voor de basisbehoeften van eiser, zoals eten, drinken, gas, water, licht, huisvesting, kleding of medicatie. Daar komt bij dat niet is aangetoond wat de herkomst is van de bijschrijvingen op de bankafschriften van de moeder van eiser in de periode van juni 2023 tot en met januari 2025. Het betoog van referent dat hij in het verleden geld heeft uitgeleend aan verschillende familieleden en dat hij terugbetalingen daarvan op de rekening van zijn moeder liet storten, heeft referent niet onderbouwd met bewijsstukken zoals verklaringen van de betreffende familieleden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Belhadi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Hirzalla

Griffier

  • mr. H. Belhadi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand