ECLI:NL:RBDHA:2026:13614

ECLI:NL:RBDHA:2026:13614

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL25.61727
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asiel Tussenuitspraak. 1F wegens een ernstig niet-politiek misdrijf. Zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Artikel 3 EVRM-risico bij uitlevering aan de VS tav de mogelijkheid op een levenslange gevangenisstraf zonder matiging of wijziging onvoldoende gemotiveerd. Tav de mogelijkheid op de doodstraf wel voldoende gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61727

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

(gemachtigde: mr. R. van der Straten).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiseres opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.61728, op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen J.E. Hynd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Amerikaanse nationaliteit. Zij heeft op 9 maart 2025 haar asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft kortstondig een relatie gehad met een man, van wie zij na een verkrachting zwanger is geraakt. In 2020 is haar dochter geboren. Na de dood van de vader van haar dochter heeft zijn vader geprobeerd om de voogdij over de dochter te krijgen. Uiteindelijk heeft hij een omgangsregeling gekregen. Eiseres kreeg na verloop van tijd het vermoeden dat haar dochter door deze grootvader seksueel werd misbruikt tijdens haar bezoeken aan hem. Omdat de autoriteiten eiseres niet konden of wilden helpen om het misbruik te stoppen, is zij met haar dochter gevlucht naar Nederland. Eiseres vreest dat de (groot)vader haar bij terugkeer zal doden en dat haar dochter weer door hem misbruikt zal worden.

Het bestreden besluit

Verweerder heeft in eerste instantie op 1 april 2025 de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiseres afkomstig is uit een veilig land van herkomst en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor haar (door verweerder geloofwaardig geachte) problemen geen bescherming kan inroepen van de autoriteiten van de Verenigde Staten. Op 12 augustus 2025 heeft verweerder dit besluit ingetrokken, nadat voor verweerder nieuwe feiten en omstandigheden bekend waren geworden. Eiseres is vervolgens aanvullend gehoord.

Op 10 december 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag getoetst aan zijn beleid in paragraaf C2/7.10.7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Volgens verweerder vormt eiseres op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er bestaan namelijk ernstige redenen om te veronderstellen dat eiseres verantwoordelijk is voor het plegen van een ernstig niet-politieke misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres wordt in de Verenigde Staten verdacht van medeplichtigheid aan de moord en samenzwering tot moord op haar ex-partner (de vader van haar dochter). De Amerikaanse autoriteiten hebben hierom een arrestatiebevel uitgevaardigd jegens eiseres en een verzoek om uitlevering ingediend bij de Nederlandse autoriteiten. Eiseres komt, gelet op het voorgaande en artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

Het bestreden besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw is eiseres een vertrektermijn onthouden en moet zij Nederland onmiddellijk verlaten. Op grond van artikel 66a, vierde en zevende lid, van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vb, heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiseres opgelegd. Daarbij heeft verweerder geconcludeerd dat het persoonlijke gedrag van eiseres een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijk openbare ordecriterium). Volgens verweerder loopt eiseres bij uitlevering geen risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing verwijst verweerder naar een door de Amerikaanse ambassade afgegeven garantie (Diplomatic Note van 16 september 2025) dat eiseres niet tot de doodstraf zal worden veroordeeld of dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het onthouden van de vertrektermijn en het opleggen van het inreisverbod zijn volgens verweerder ook niet onevenredig of disproportioneel.

Beroepsgronden

Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij uitlevering aan de Verenigde Staten geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het valt niet uit te sluiten dat zij een reëel risico loopt om in de Verenigde Staten veroordeeld te worden tot de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde vrijlating. Eiseres doet daarbij een beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Kafkaris vs. Cyprus van 12 februari 2008, ECHR (GC), appl. nr. 21906/04, EHRC 2008, 52. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de door de Amerikaanse ambassade gegeven garantie dat de doodstraf niet zal worden opgelegd of – als die wordt opgelegd – niet ten uitvoer zal worden gelegd, voldoende garantie geeft dat eiseres dit lot bespaard zal blijven.

Eiseres voert verder aan dat verweerder in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste een inreisverbod van tien jaar aan eiseres heeft opgelegd met een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS). Het inreisverbod treft geen doel als eiseres in de Verenigde Staten veroordeeld wordt, omdat zij dan aldaar is ingesloten. Mocht er vrijspraak volgen in de Verenigde Staten, dan is het inreisverbod ten onrechte opgelegd, aldus eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres het standpunt van verweerder dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij verantwoordelijk is voor het plegen van een ernstig niet-politieke misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag niet heeft bestreden. Gelet hierop hoeft dit standpunt niet besproken te worden.

Artikel 3 van het EVRM

6. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat niet in geschil is dat indien de mogelijkheid bestaat dat aan eiseres in de Verenigde Staten de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde vrijlating wordt opgelegd en dat deze ten uitvoer wordt gelegd, zij het risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Tussen partijen is wel in geschil of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat aan eiseres niet de doodstraf zal worden opgelegd of, als deze wel wordt opgelegd, deze niet ten uitvoer zal worden gelegd. Ook is in geschil of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat aan eiseres geen levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde vrijlating wordt opgelegd.

De doodstraf

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende garanties zijn dat eiseres na haar uitlevering aan de Verenigde Staten niet zal worden veroordeeld tot de doodstraf en dat er vanuit dat oogpunt geen mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest dreigt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiseres is hier volgens de rechtbank niet in geslaagd. De enkele stelling dat de uitleveringsrechter geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven of eiseres bij uitlevering een reëel risico loopt om in de Verenigde Staten tot de doodstraf veroordeeld te worden, is daartoe onvoldoende.

Uit het dossier is de rechtbank verder niet gebleken dat eiseres een reëel risico loopt om bij terugkeer in de Verenigde Staten veroordeeld te worden tot de doodstraf. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit, voor zover hier van belang, terecht betrokken dat in de staat South Carolina, waar eiseres berecht zal worden, weliswaar de doodstraf staat op moord, maar niet op medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord, wat eiseres ten laste is gelegd. Dit is bepaald in wetgeving en de uitspraak van het South Carolina Supreme Court in de zaak van State v. Bixby, 373 S.C. 74 (Apr. 9, 2007). Bovendien hebben de Nederlandse autoriteiten, tijdens de rechtszaak over het verzoek tot uitlevering, van de Amerikaanse autoriteiten een aanvullende garantie gevraagd en gekregen met betrekking tot het al dan niet opleggen of tenuitvoerleggen van de doodstraf (Diplomatic Note van 16 september 2025, zie de Conclusie van AG Sinnige van 3 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:145). Verweerder heeft gelet op deze toezegging terecht geen aanleiding gezien om een uitzetbeletsel op grond van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat weinig of geen waarde gehecht kan worden aan deze toezegging van de Amerikaanse autoriteiten. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten mag verweerder erop vertrouwen dat aan de garantie gehoor zal worden gegeven, ook al is de garantie afgegeven door de Amerikaanse ambassade en niet door de Amerikaanse instanties die uiteindelijk de strafmaat zullen bepalen. Het feit dat de Diplomatic Note zelf niet aan het dossier is toegevoegd, maakt volgens de rechtbank niet dat er geen waarde aan de inhoud mag worden gehecht. Uit de stukken die wel in het dossier aanwezig zijn en de hiervoor genoemde gepubliceerde conclusie van de AG, rechtsoverweging 2.7, kan voldoende worden opgemaakt wat er door de Amerikaanse ambassade is toegezegd.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit het afgeven van de Diplomatic Note – anders dan eiseres meent – niet kan worden afgeleid dat de theoretische mogelijkheid bestaat dat, gelet op de tenlastelegging, toch de doodstraf kan worden geëist. De afgegeven garantie is bedoeld om te waarborgen dat, mocht de verdenking tegen eiseres na uitlevering worden uitgebreid met andere feiten die verband houden met de strafzaak, waarop wel de doodstraf staat en het voorbehoud van de zaak Bixby niet van toepassing is, dan ook in die gevallen niet de doodstraf zal worden geëist of ten uitvoer zal worden gelegd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Levenslange gevangenisstraf zonder matiging of wijziging

In het door eiseres aangehaalde arrest Kafkaris vs. Cyprus spreekt het EHRM uit dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf op een volwassene op zichzelf artikel 3 of enig ander artikel van het EVRM niet schendt, maar dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van enigerlei matiging of wijziging wel vragen kan doen rijzen in verband met artikel 3 van het EVRM. Van belang is of de tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde enig vooruitzicht kan hebben op vrijlating. Als de nationale wetgeving de mogelijkheid kent van enigerlei herziening van een veroordeling tot levenslang zal dat voldoende zijn om in het spoor te blijven van artikel 3 van het EVRM. Voldoende is dat een levenslange gevangenisstraf de jure en de facto vatbaar is voor verkorting.

Eiseres voert terecht aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer niet tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling kan worden veroordeeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit in het geheel niet is gegaan op de mogelijkheid dat eiseres tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling kan worden veroordeeld, terwijl eiseres in het aanvullend gehoor wel heeft verklaard over haar vrees dat een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd (pagina 7 en 8). De rechtbank ziet hierin een gebrek. Verweerder dient immers ambtshalve te beoordelen of de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de uitleveringsrechter het risico op een levenslange gevangenisstraf voor eiseres impliciet heeft betrokken bij het oordeel of eiseres kan worden uitgeleverd en dat – zo begrijpt de rechtbank – de garantie van de Amerikaanse ambassade ook op de mogelijkheid van een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling ziet. Verder blijkt volgens de gemachtigde van verweerder uit de beëdigde verklaring bij het uitleveringsverzoek (‘Affidavit’) van 22 april 2025 dat voor in ieder geval twee van de drie ten laste gestelde feiten maximaal maar vijftien jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, en dus geen levenslang.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Zij ziet geen aanwijzing in het dossier dat aan eiseres geen levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling zal of kan worden opgelegd. Uit de Affidavit (pagina 10 en 11) blijkt het tegendeel; indien eiseres wordt veroordeeld voor de in het arrestatiebevel opgenomen beschuldiging van ‘accessory before the fact of murder’, aan haar gelet op de uitspraak in de zaak Bixby weliswaar niet de doodstraf kan worden opgelegd, maar dat er dan wel een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling kan worden opgelegd. Bovendien ziet de rechtbank geen aanwijzing dat de Diplomatic Note ook ziet op de situatie van een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating. Dit is niet in de tekst van de Diplomatic Note benoemd en ook anderszins niet af te leiden. Daarnaast blijkt niet dat deze situatie in de uitleveringszaak is meegenomen en in de beslissing is verdisconteerd. Zowel in de tussenuitspraak als de einduitspraak inzake het uitleveringsverzoek wordt enkel gesproken over de garantie dat niet de doodstraf zal worden opgelegd en dat als die toch wordt opgelegd deze niet ten uitvoer zal worden gelegd. Ook uit de uitspraak in cassatie is niet af te leiden dat tevens is gedoeld op de situatie dat een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling wordt opgelegd. Gelet op dit alles heeft verweerder onvoldoende onderzocht of eiseres bij terugkeer het risico loopt op een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating en dit risico onvoldoende betrokken in zijn besluit.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en berust het op een ondeugdelijke motivering. Verweerder heeft op de zitting zijn besluit op dit punt niet afdoende aangevuld. Nu aan het besluit een gebrek kleeft, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de gelegenheid stellen dit gebrek te herstellen. Verweerder kan het gebrek herstellen met een aanvullend onderzoek en aanvullende motivering, of met een nieuwe beslissing na of tegelijkertijd met intrekking van het hier voorliggende bestreden besluit. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak.

10. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze uitspraak.

11. Verweerder moet, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om onnodige vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, aan de rechtbank meedelen of hij overgaat tot herstel van het gebrek.

12. Indien verweerder gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel van het gebrek, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzitter, en mr. E.C. Harting en mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.

In verband met afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak getekend door

mr. E.C. Harting.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen
  • mr. E.C. Harting
  • mr. Y.E. Schuurmans

Griffier

  • mr. J.B.C. Hoeksel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand