RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12491
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarnaast een terugkeerbesluit uitgevaardigd, met een vertrektermijn van vier weken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, vergezeld door haar kantoorgenoot [naam 1], [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de taskera’s van eiser en van eisers vader, die eiser ter zitting heeft overgelegd, te laten onderzoeken door Bureau Documenten (BD).
Op 2 oktober 2025 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de twee taskera’s echt zijn. Verweerder heeft aangegeven het bestreden besluit te willen herstellen en de rechtbank verzocht om een bestuurlijke lus toe te passen. Bij bericht van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat verweerder, via een informele lus, in de gelegenheid wordt gesteld om binnen drie weken een aanvullend besluit te nemen. Na het, ondanks rappelleren, uitblijven van een aanvullend besluit, heeft de rechtbank het onderzoek op
11 november 2025 gesloten.
Verweerder heeft bij besluit van 12 november 2025 alsnog een aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft gelet daarop diezelfde dag het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren. Op 12 december 2025 heeft eiser gereageerd op het aanvullende besluit. Op 18 december 2025 heeft eiser – desgevraagd – kopieën van de originele taskera’s en een vertaling hiervan overgelegd.
Nadat beide partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 2 januari 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op
12 mei 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag - samengevat - het volgende ten grondslag
gelegd.
Eisers vader was als commandant werkzaam voor de explosieven opruimingsdienst en werkte met de Amerikanen. Eiser en zijn vader hebben vervolgens problemen ondervonden van de kant van de Taliban. Op een dag kwam een kennis van eiser, [naam 3], de zoon van [naam 4], aan de deur en deze man wilde eisers vader twee wapens geven om een openstaande schuld terug te betalen. Eisers vader was op dat moment niet aanwezig en daarom heeft eiser deze wapens aangenomen. Vier dagen later kwamen er vijf Talibanleden, waaronder [naam 5], aan de deur voor een huiszoeking. Eiser, zijn vader en broers verscholen zich bij de buren. [naam 5] betichtte eiser en zijn vader tegenover eisers moeder en de dorpsoudsten van moord op [naam 5]’s zwager, aangezien de zwager gedood zou zijn met het betreffende wapen. Na de huiszoeking vluchtte eisers familie naar Qarabagh en daarna vluchtte eiser met behulp van zijn oom en een smokkelaar het land uit.
Standpunt van verweerder
Het bestreden besluit van 10 maart 2025
Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
a. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
b. eisers problemen met de Taliban vanwege het werk van zijn vader.
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet.
Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit
asielmotief volledig onderbouwen. Volgens verweerder heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven en vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft daarom niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en c, van de Vw.
Verweerder heeft het referentiekader van eiser, anders dan eiser stelt, wel betrokken bij de besluitvorming en voldoende rekening gehouden met het medisch advies van Medifirst.
Eiser heeft pas in de zienswijze en de correcties en aanvullingen op het rapport van het nader gehoor kenbaar gemaakt dat hij op 6 maart 2025 in staat is gebleken om contact met zijn oom te krijgen. Uiteindelijk heeft hij via deze oom een kopie van zijn taskera overgelegd. Volgens verweerder kan aan dit document niet de waarde worden gehecht die eiser hieraan gehecht wenst te zien, nu het slechts een kopie betreft en dit document niet op authenticiteit kan worden onderzocht. Dit heeft echter geen gevolgen voor het eerste asielmotief, nu dit motief geloofwaardig is bevonden.
Los van het feit dat eiser met de overgelegde documenten van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader voor de Amerikanen heeft gewerkt, heeft eiser hiermee ook niet aannemelijk gemaakt dat hij en zijn vader daadwerkelijk in de negatieve belangstelling van de Taliban staan. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van juni 2023 (hierna: het ambtsbericht) volgt ook niet dat iedere persoon die met de Amerikanen heeft samengewerkt, problemen met de Taliban heeft gekregen dan wel zou krijgen. Verder heeft eiser wisselend verklaard over het al dan niet gezien hebben van de Taliban toen hij vluchtte naar de woning van de buren. Daarnaast zijn eisers verklaringen over de reden waarom de Taliban het op eiser gemunt zou hebben gebaseerd op niet nader onderbouwde dan wel geconcretiseerde veronderstellingen.
Het aanvullende besluit van 12 november 2025
Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens de gehoren en bij de besluitvorming voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser en met het medisch advies van Medifirst van 17 december 2024. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat traumatische ervaringen van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te kunnen verklaren.
Met de overgelegde taskera’s heeft eiser niet aangetoond dat het zijn vader is die op de Amerikaanse documenten staan. Op de echt bevonden taskera’s staat eisers vader als [naam 6] aangeduid, terwijl er op de Amerikaanse documenten de achternaam [achternaam]
staat. De achternaam [achternaam] komt niet terug op de taskera. Gelet hierop kan verweerder niet zonder meer aannemen dat het daadwerkelijk om eisers vader gaat. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn vader voor de Amerikanen heeft gewerkt. Ook al zou eisers
vader voor de Amerikanen hebben gewerkt, dan heeft eiser alsnog niet aangetoond
dat hij persoonlijk hierdoor problemen heeft gehad met de Taliban. Eiser is er door middel van zijn verklaringen niet in geslaagd om zijn asielrelaas aannemelijk te maken, nu zijn verklaringen vaag, summier en gebaseerd op eigen aannames en van horen zeggen zijn. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat er geen bewijs is dat de Taliban nog steeds naar hem persoonlijk op zoek is. Verder heeft eiser pas in de zienswijze verklaard dat hij de Taliban wel heeft gehoord en gezien en dat hij hieruit heeft afgeleid dat de Taliban naar hem op zoek was. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij zich binnen in het huis bevond toen er aan de deur werd geklopt door de Taliban en dat zijn vader hem heeft meegenomen naar de buren toen hij zag dat het de Taliban was.
Beoordeling door de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden
3. De rechtbank stelt allereerst voorop dat het onderhavige beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het aanvullende besluit. Eiser heeft in het kader van zijn beroep - samengevat - aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser problemen met de Taliban heeft ondervonden vanwege het werk van zijn vader. Eiser heeft bij het nader gehoor van 4 maart 2025 vier documenten met betrekking tot zijn vader overgelegd: een bankpas, een dienstpas, een certificaat training en een brief van Sterling Operations waarin staat dat de functie van zijn vader wordt stopgezet. Verder heeft eiser in beroep (tijdens de zitting) de originele taskera’s overgelegd, die door BD echt zijn bevonden en waarmee hij heeft aangetoond dat het daadwerkelijk om zijn vader gaat. Eiser heeft verder toegelicht hoe het zit met de naam van zijn vader. ‘[achternaam]’ betekent letterlijk vertaald vanuit het Afghaans ‘de heer’ en is dus een aanspreektitel. Verweerder kan de taskera’s niet zomaar terzijde schuiven. Deze taskera’s zijn van groot belang voor eiser om de familierechtelijke banden aannemelijk te maken en dus een groot deel van zijn relaas aannemelijk te maken. Nu eiser tevens aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader weldegelijk voor de Amerikanen heeft gewerkt, dient ook zijn verklaring over de negatieve belangstelling van Afghanen als geloofwaardig te worden beschouwd. Verder heeft eiser geloofwaardig verklaard over zijn vlucht voor de Taliban en dat hij de Taliban heeft gezien toen deze voor de deur stond. Uit het voornemen en het bestreden besluit is pas gebleken dat verweerder aanneemt dat eiser de Taliban niet heeft gezien. Om deze onduidelijkheid weg te nemen, heeft eiser dit nader toegelicht in de zienswijze. Verweerder dient deze verklaring dus mee te nemen in zijn beoordeling, aldus eiser.
De rechtbank acht in het licht van de gronden van beroep het standpunt van verweerder in het aanvullend besluit, dat niet is aangetoond dat het eisers vader is die op de (Amerikaanse) documenten staat vermeld (en aldus niet wordt aangenomen dat eisers vader met de Amerikanen heeft gewerkt), onvoldoende gemotiveerd. Zoals eiser ter zitting en in zijn reactie van 12 december 2025 heeft toegelicht, en de rechtbank ook ambtshalve is gebleken, wordt ‘[achternaam]’ tevens gebruikt als (eerbiedigende aanspreek)titel (‘de heer’). Uit de originele taskera van eisers vader blijkt dat hij ‘[naam 7]’ heet en de naam van zijn vader (aldus eisers opa) ‘[naam 8]’ is. In het overgelegde Amerikaanse certificaat van training staat vermeld dat [naam 9] s/o (de rechtbank begrijpt: ‘son of’) [naam 10] succesvol de ontmijningscursus heeft gevolgd. Verder kan niet worden uitgesloten dat de persoon op de foto op de originele taskera van eisers vader dezelfde persoon is als de persoon op de foto’s op de overgelegde dienst- en bankpas van ‘[naam 11]’. Er lijkt sprake te zijn van gelijkenissen. De rechtbank acht daarom verweerders standpunt, dat niet is aangetoond dat eisers vader op de overgelegde (Amerikaanse) documenten staat, en voor hen werkzaamheden heeft verricht, onvoldoende gemotiveerd.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, ook al zou eisers vader voor de Amerikanen hebben gewerkt, niet is aangetoond dat eiser hierdoor persoonlijk problemen heeft gehad met de Taliban en de Taliban specifiek naar hem op zoek is. Verweerder acht eisers verklaringen over zijn individuele problemen met de Taliban vaag, summier en op aannames gebaseerd.
De rechtbank acht ook dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank wijst er allereerst op dat uit het ambtsbericht (pagina 83) blijkt dat een persoon die bekend was vanwege zijn werk met buitenlandse troepen meer gevaar liep lastig te worden gevallen of te worden mishandeld. Vaak is hun grootste angst dat iemand hen zal ‘verklikken’ of een verhaal over ze zal verzinnen omdat ze vanwege een andere reden onenigheid hebben. Volgens een bron waren personen die gewerkt hebben voor de Amerikaanse troepen kwetsbaarder dan degenen die voor de troepen van andere mogendheden gewerkt hebben. Verweerder acht het onduidelijk waarom eiser zou worden aangemerkt als één van de moordenaars van de zwager van [naam 5], maar – zoals volgt uit het ambtsbericht – een verhaal kan worden verzonnen en iemand kan worden ‘verklikt’. In de correcties en aanvullingen van 6 maart 2025 is er door eiser ook op gewezen dat ze erin zijn geluisd en zijn vader als landverrader werd gezien. Daarbij heeft eiser in zijn relaas toegelicht dat de wapens aan hem zijn overgedragen, dat de buren dit hebben gezien, en dat tegen eiser bij het overdragen van de wapens is gezegd dat er sprake was van een schuld bij de vader (waarbij de wapens dienden ter betaling van de schuld). De vader heeft daarop aan eiser bevestigd dat sprake is van een schuld, door aan te geven dat de wapens niet zo veel geld waard zijn. Hierna lagen de (bij de moord gebruikte en door eiser aangenomen) wapens echter wel in huis, toen de Taliban kort daarop een huiszoeking heeft gedaan. Gelet op de informatie uit het ambtsbericht, in relatie tot eisers relaas, kan verweerder aldus niet zonder meer worden gevolgd in het standpunt dat niet duidelijk is geworden waarom de Taliban aan de deur kwam en een huiszoeking deed, terwijl niet is gebleken dat eisers familie al langer in het vizier was van de Taliban. De negatieve belangstelling van de Taliban kan eerst op een later moment zijn ontstaan. Dat er geen bewijs is dat de Taliban nog steeds naar eiser persoonlijk op zoek is, maakt dit niet anders. Het gaat erom of eiser zijn relaas aannemelijk heeft gemaakt, en de daaruit volgende risico’s bij terugkeer. Daarbij komt dat, zoals eiser heeft toegelicht, de Taliban zonder meer aan de deur komt om mensen mee te nemen, zonder dat daaraan (objectieve) stukken ten grondslag liggen, die dus ook niet kunnen worden overgelegd, en eiser in dat kader ook niet meer dan vermoedens of veronderstellingen kan hebben.
Ten aanzien van het vluchten voor de Taliban ten tijde van de huiszoeking heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat uit het nader gehoor kan worden opgemaakt dat eiser de Taliban op dat moment niet zelf heeft gezien. Eerst in de zienswijze is aangegeven dat eiser de Taliban zelf heeft gezien toen hij naar de buren vluchtte. Volgens verweerder valt niet in te zien waarom eiser in de zienswijze een andere lezing geeft. Dit komt eisers oprechtheid en geloofwaardigheid niet ten goede, aldus verweerder.
De rechtbank volgt ook dit niet. Uit het nader gehoor blijkt weliswaar dat eiser heeft verklaard dat zijn vader de Taliban had gezien en hij eiser en zijn broers vervolgens heeft meegenomen naar de buren, maar dit sluit niet uit dat eiser op dat moment zelf ook de Taliban heeft gezien. Verweerder heeft dit, zoals eiser terecht stelt, aangenomen en daar ten tijde van het nader gehoor niet naar gevraagd. Dat eiser in de zienswijze een andere lezing geeft, volgt de rechtbank dus niet. Voor zover verweerder heeft opgemerkt dat eiser met de correcties en aanvullingen reeds voldoende in de gelegenheid is geweest om eventuele tekortkomingen en onjuistheden te herstellen, merkt de rechtbank op dat eiser de correcties en aanvullingen gelijktijdig met de zienswijze heeft gegeven, namelijk bij bericht van
6 maart 2025.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is reeds gezien het voorgaande gegrond. De overige beroepsgronden laat de rechtbank daarom onbesproken. De rechtbank zal het bestreden besluit en het aanvullende besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het aanvullende besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om het tweede asielmotief (eisers problemen met de Taliban vanwege het werk van zijn vader) op geloofwaardigheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het (opnieuw) toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op het aantal gebreken en de aard daarvan, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
7. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, en een halve punt voor het indienen van een nader standpunt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.