ECLI:NL:RBDHA:2026:13643

ECLI:NL:RBDHA:2026:13643

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL26.28057
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Volgberoep bewaring Marokko – verweerder werkt voldoende voortvarend aan de terugkeer van eiser en zicht op uitzetting ontbreekt niet. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf het sluiten van het onderzoek in de voorgaande procedure. De rechtbank dient echter steeds actueel te beoordelen of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staan. De ‘Adrar-controle’ ziet daarom op feiten en omstandigheden die zich na de laatste bewaringsuitspraak hebben voorgedaan of zijn gebleken, waarbij te gelden heeft dat het refoulementverbod absoluut is en dit beginsel altijd in de weg staat aan de verwijdering en de bewaring ter fine van verwijdering. Indien de bewaringsrechter bekend raakt met dergelijke feiten en omstandigheden na het sluiten van het onderzoek, maar vóór het doen van uitspraak, zal hierin aanleiding worden gezien om het onderzoek te heropenen om zodoende een actuele beoordeling te kunnen verrichten van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. Dit onderzoek zal, indien dit ambtshalve geschiedt, ook op tegenspraak plaatsvinden. In deze procedure bestaan geen beletselen om het terugkeerbesluit uit te voeren. Er zijn geen indicaties dat het voortduren van de maatregel inmiddels onevenredig bezwarend is geworden of niet langer proportioneel is of dat dit nader moet worden onderzocht. Volgberoep ongegrond, geen SV, geen PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28057

geboren op [geboortedatum] 2003, Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 8 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft beroepsgronden aangedragen. Verweerder heeft binnen de daartoe gegeven termijn inhoudelijk gereageerd op de beroepsgronden.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van het opleggen en voortduren van deze maatregel van bewaring eerder beoordeeld. Uit de uitspraak van 20 april 2026 (in de zaak NL26.19817, ECLI:NL:RBLIM:2026:3778, niet gepubliceerd maar bij beide partijen bekend) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf het moment van het sluiten van dat onderzoek op 14 april 2026.

2. Eiser heeft als beroepsgronden aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering omdat verweerder tussen 23 april 2026 en 15 mei 2025 geen ‘uitvoeringshandelingen’ heeft verricht en dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat er nog geen reactie is verkregen op het verzoek om de afgifte van een LP.

3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.

4. De beroepsgronden slagen niet. In de M120 is vermeld dat in de te toetsen periode een LP-aanvraag is verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten en dat vervolgens op 23 april 2026 en op 15 mei 2026 schriftelijk is gerappelleerd op deze aanvraag. Verweerder heeft in reactie op de beroepsgronden terecht gewezen op de gehouden vertrekgesprekken en deze rappels bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank overweegt dat de vertrekhandelingen genoegzaam uit de M120 en het in het dossier gevoegde verslag van het op 15 mei 2026 gehouden vertrekgesprek blijken. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het vereiste van voortvarend handelen ook de proceshouding van eiser. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 15 mei 2026 aangegeven dat ‘hij niets doet en meewerkt als er een LP wordt afgegeven maar hoopt dat hij na 5,5 maand wordt vrijgelaten net als alle anderen’. Gelet op deze proceshouding kan verweerder op dit moment geen andere handelingen verrichten om de verwijdering te laten plaatsvinden dan het houden van vertrekgesprekken en het regelmatig rappelleren op de ingediende LP-aanvraag. De rechtbank stelt op grond van de frequentie van de vertrekhandelingen en het tijdsverloop hiertussen vast dat verweerder voldoende voortvarend werk aan de uitvoering van het terugkeerbesluit.

5. Zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt niet in het algemeen en in het geval van eiser is dit niet anders. Eiser heeft weliswaar terecht aangegeven dat hij vanaf 31 maart 2026 in bewaring wordt gehouden. Verweerder heeft evenwel eiser op 8 april 2026 in bewaring gesteld ter fine van terugkeer. De rechtbank overweegt dat verweerder vanaf het moment dat hij een terugkeerbesluit vaststelt verplicht is om voortvarend aan de uitvoering hiervan te werken. Eiser is echter op 31 maart 2026 in bewaring gesteld op de zogenoemde ‘asielgrond’. Gedurende de asielprocedure heeft eiser geen terugkeerverplichting en is verweerder dus niet bevoegd om aan de terugkeer van eiser te werken. Verweerder heeft op 15 april 2026 een LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat ten tijde van de onderhavige uitspraak nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten is verkregen op deze aanvraag, rechtvaardigt niet de conclusie dat er geen vervangend reisdocument zal worden afgegeven. Eiser kan de duur van de tenuitvoerlegging van de maatregel verkorten door contact op te nemen met de Marokkaanse autoriteiten om een identiteitsdocument aan te vragen. Zolang eiser geen inspanningen verricht om aan zijn terugkeerverplichting te voldoen, verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitvoering van het terugkeerbesluit en er sprake is van relatief gering tijdsverloop sinds de LP-aanvraag, concludeert de rechtbank dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering niet ontbreekt.

6. De aanvullende ambtshalve verrichte rechtmatigheidsbeoordeling leidt tot de conclusie dat de maatregel rechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank overweegt in dit verband het navolgende.

7. Eiser wordt in bewaring gehouden ter fine van verwijdering. De duur van de bewaring op deze grondslag bedraagt geen zes maanden, zodat het nemen van een verlengingsbesluit niet aan de orde is. De rechtbank overweegt hierbij dat de periode dat eiser in bewaring is gehouden op grond van richtlijn 2013/33 niet relevant is voor de beoordeling van de maximaal toegestane duur van de tenuitvoerlegging van een bewaringsmaatregel op grond van richtlijn 2008/115.

8. De rechtbank controleert bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de voortduring van de maatregel die ter fine van terugkeer is opgelegd ook of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank overweegt hierbij dat de rechtbank, zoals in rechtsoverweging 1 benoemd, in de onderhavige procedure de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf het sluiten van het onderzoek op 14 april 2026 beoordeelt. De rechtbank dient echter steeds actueel te beoordelen of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank heeft op 20 april 2026 uitspraak gedaan op het in de terugkeerprocedure van eiser. De ‘Adrar-controle’ ziet daarom op feiten en omstandigheden die zich na de uitspraak op 20 april 2026 hebben voorgedaan of zijn gebleken, waarbij te gelden heeft dat het refoulementverbod absoluut is en dit beginsel altijd in de weg staat aan de verwijdering en de bewaring ter fine van verwijdering. De rechtbank merkt hierbij op dat indien de bewaringsrechter bekend raakt met dergelijke feiten en omstandigheden na het sluiten van het onderzoek, maar vóór het doen van uitspraak, hierin aanleiding zal worden gezien om het onderzoek te heropenen om zodoende een actuele beoordeling te kunnen verrichten van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. Dit onderzoek zal, indien dit ambtshalve geschiedt, ook op tegenspraak plaatsvinden.

9. Uit de beroepsgronden van eiser en uit het dossier blijkt niet dat eiser vreest bij terugkeer naar Marokko aan een 3 EVRM-strijdige behandeling te worden onderworpen. Eiser heeft in het vertrekgesprek dat heeft plaatsgevonden in de te toetsen periode onder meer verklaard dat zijn familie in Spanje woont en hij niets heeft in Spanje. De rechtbank is, ondanks dat dit niet in de in deze procedure overgelegde M120 is vermeld, ambtshalve bekend met de omstandigheid dat op 13 oktober 2023 een terugkeerbesluit is vastgesteld waarin Marokko als land van terugkeer is aangemerkt en welk terugkeerbesluit gepaard is gegaan met een inreisverbod met een duur van twee jaar. Dit terugkeerbesluit met inreisverbod is definitief geworden. Eiser heeft op 31 maart 2026 een opvolgende asielaanvraag gedaan en deze aanvraag ingetrokken op 7 april 2026. Het op 13 oktober 2023 vastgestelde terugkeerbesluit is de grondslag van de huidige maatregel. Eiser heeft niet gesteld dat er een wezenlijke wijziging heeft plaatsgevonden van zijn persoonlijke feiten en omstandigheden sinds de laatste rechterlijke controle van dit terugkeerbesluit en de mogelijke beletselen om dit terugkeerbesluit uit te kunnen voeren. De enkele omstandigheid dat zijn familie in Spanje verblijft betekent dus dat de rechtbank in deze volgberoep-procedure niet tot de conclusie komt dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen alsnog aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staan ondanks dat zijn vertrek uit de Unie en het daardoor in werking treden van het inreisverbod gevolgen heeft voor zijn mogelijkheden om familieleven in de Unie uit te kunnen oefenen.

10. De rechtbank overweegt verder dat er geen indicaties zijn dat het voortduren van de maatregel inmiddels onevenredig bezwarend is geworden of niet langer proportioneel is. Er bestaat ook geen aanleiding om dit nu nader te onderzoeken.

11. De maatregel heeft in de te toetsen periode rechtmatig voortgeduurd zodat de rechtbank niet de opheffing van de maatregel zal bevelen, maar het beroep ongegrond zal verklaren en het verzoek om schadevergoeding zal afwijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 mei 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand