uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag 1] 1996, van Surinaamse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en besluitvorming
4. Eiser heeft op 28 januari 2025 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiser wenst verblijf bij zijn oom [naam], geboren op [geboortedag 2] 1956, met de Nederlandse nationaliteit.
Verweerder heeft bij besluit van 18 maart 2025 (het primaire besluit) de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat hij geen leges heeft betaald, terwijl hij daartoe gelet op het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 wel verplicht is. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser bij brief van 6 februari 2025 en bij brief van 21 februari 2025 in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken de gevraagde leges te betalen, maar dit niet heeft gedaan.
Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de buitenbehandelingstelling gebleven. Verweerder heeft daarbij het volgende betrokken. Op 26 februari 2025 heeft eiser de leges betaald, maar deze zijn teruggestort op 7 maart 2025 omdat eiser geen vorderingsnummer heeft vermeld bij de betaling. Op 28 maart 2025 heeft eiser wederom een betaling gedaan zonder hierbij een vorderingsnummer te vermelden, waardoor de leges op 4 april 2025 wederom aan hem zijn teruggestort. Eiser heeft op 7 april 2025 een betaling van de leges gedaan onder vermelding van het juiste vorderingsnummer. Verweerder heeft deze echter wederom teruggestort op 11 april 2025 omdat eisers aanvraag reeds buiten behandeling was gesteld omdat hij niet tijdig aan de leges heeft voldaan. Verweerder is daarom niet inhoudelijk ingegaan op de aanvraag. Verweerder heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en heeft daarom afgezien van het horen, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hem in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd.
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
5. Verweerder heeft op de zitting de vraag opgeworpen of sprake is van procesbelang, nu eiser volgens verweerder een nieuwe aanvraag heeft ingediend en deze wel in behandeling is genomen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit. Daarbij is van belang dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd en dat verweerder hem op grond daarvan in het SIS heeft gesignaleerd. Deze besluiten hebben rechtsgevolgen voor eiser, die hij in rechte kan laten toetsen. Reeds hierom is sprake van een actueel en reëel procesbelang.
Leges
7. Eiser voert aan dat hij meerdere keren de leges heeft betaald en dit ook is erkend door verweerder. Eiser stelt in dit kader dat nationale procedurevoorschriften, waaronder het hanteren van een bepaald aanvraagformulier, geen afbreuk mogen doen aan de nuttige werking van het Unierecht. Eiser verwijst daarbij naar meerdere Unierechtelijke bepalingen en bepalingen van het EVRM, alsmede naar arresten van het Hof en het EHRM. Eiser stelt ook dat het Unierechtelijke bewijsrecht van toepassing is, waardoor de overgelegde bewijsstukken, met name de bankafschriften, ten onrechte door verweerder terzijde zijn geschoven. Eiser wijst er verder op dat het gaat om declaratoir verblijfsrecht en dat sprake is van ex nunc-toetsing. Ook is sprake van vooringenomenheid en discriminatie wegens nationaliteit. En gaat het in dit geval om een verwesterde vreemdeling. Tot slot vindt eiser dat de hoorplicht is geschonden en dat hij had moeten worden gehoord in bezwaar.
8. De rechtbank overweegt allereerst dat in deze procedure geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voorligt, nu verweerder de aanvraag wegens het niet voldoen aan de leges buiten behandeling heeft gesteld. Reeds hierom komt de rechtbank niet toe aan de door eiser hierover aangevoerde inhoudelijke gronden.
Wat betreft de buitenbehandelingstelling vanwege het niet voldoen aan de leges overweegt de rechtbank als volgt. Binnen het Unierecht geldt het beginsel van nationale procedurele autonomie, wat betekent dat de nationale autoriteiten van elke lidstaat het recht hebben om hun eigen procedures te bepalen voor het implementeren en handhaven van Uniewetgeving, zolang deze procedures voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Dit betekent dat de procedures voor het afdwingen van Unierechten niet minder gunstig mogen zijn dan die voor het afdwingen van vergelijkbare nationale rechten (beginsel van gelijkwaardigheid) en dat de procedures de uitoefening van Unierechten niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk mogen maken (beginsel van doeltreffendheid).
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd concreet te maken dat in zijn geval de nationale procedurevoorschriften, waaronder het gebruik van een bepaald aanvraagformulier en het heffen van leges, afbreuk doen aan de nuttige werking van het Unierecht. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser zijn verwijzingen naar internationale jurisprudentie en wetsartikelen op geen enkele wijze nader heeft toegelicht of toegespitst op zijn situatie. Reeds daarom kan de rechtbank niet afleiden waarom deze zouden moeten leiden tot het oordeel dat de wijze waarop verweerder, op grond van artikel 24 van de Vw 2000, leges heft, de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder eiser tot tweemaal toe, namelijk bij brief van 6 februari 2025 en bij brief van 21 februari 2025, in de gelegenheid heeft gesteld om binnen twee weken de gevraagde leges te betalen onder vermelding van het juiste vorderingsnummer. Eiser heeft pas op 7 april 2025 een betaling van de leges gedaan onder vermelding van het juiste vorderingsnummer, na twee keer leges te hebben betaald zonder vermelding van het vorderingsnummer. Verweerder heeft deze leges teruggestort op 11 april 2025, omdat het primaire besluit toen al was genomen. Verweerder heeft eisers aanvraag dan ook terecht niet in behandeling genomen, omdat hij niet tijdig aan de leges heeft voldaan.
Het standpunt van eiser dat het Unierechtelijke bewijsrecht van toepassing is en dat de overgelegde bewijsstukken ten onrechte terzijde zijn geschoven, is niet nader onderbouwd en toegespitst op deze zaak. De rechtbank benadrukt in dit licht dat de overgelegde bankafschriften juist bevestigen dat eiser de leges in deze procedure op onjuiste wijze en niet binnen de gestelde termijnen heeft betaald.
9. De rechtbank overweegt wat betreft de gestelde schending van de hoorplicht als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder de omstandigheden kunnen afzien van het horen in bezwaar. In bezwaar heeft eiser alleen de bankafschriften overgelegd, maar zoals hierboven al is vermeld bevestigt dit nader dat eiser de leges in deze procedure op onjuiste wijze en niet binnen de gestelde termijnen heeft betaald. De rechtbank betrekt in dit kader ook dat verweerder eiser twee keer herstelverzuim heeft geboden en duidelijk heeft gemaakt dat hij de leges behoorde te betalen onder vermelding van het juiste vorderingsnummer. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom kunnen afdoen als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.