ECLI:NL:RBDHA:2026:13657

ECLI:NL:RBDHA:2026:13657

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL25.179025 en NL25.17906
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel Nigeria, LHBTIQ+, opvolgende aanvraag, iMMO-rapport en het vermogen om te verklaren, psychische problematiek, referentiekader, beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.17905 (beroep)

NL25.17906 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

geboren op [geboortedag] 1986, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 januari 2023 een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 15 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, meneer A.K. Umar als tolk in het Pidgin Engels en de gemachtigden van beide partijen.

Beoordeling door de rechtbank

Eerste asielaanvraag

3. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit en heeft op 13 september 2018 voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd. Aan deze aanvraag had eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Deze aanvraag is op 16 juni 2020 afgewezen als ongegrond. Tegen deze afwijzing is door eiser beroep ingesteld. Dit beroep is op 9 februari 2021 ongegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht. Hierdoor staat het besluit van 16 juni 2020 in rechte vast.

De huidige aanvraag

4. Eiser legt aan de onderhavige opvolgende asielaanvraag opnieuw ten grondslag dat hij homoseksueel is en daarom niet terug kan naar Nigeria. Bij zijn aanvraag heeft eiser foto’s en verklaringen van onder meer [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3] overgelegd. Hij heeft verder gesteld dat hij in de vorige procedure door psychische problemen niet in staat is geweest om goed te verklaren. Ter onderbouwing heeft eiser een iMMO-rapport en brieven van [instelling] overgelegd. Daarnaast heeft hij gesteld te vrezen voor een mensensmokkelaar [naam 1] die eiser vanuit Nigeria naar Libië heeft gebracht. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een kopie overgelegd van een aangifte bij de Nigeriaanse politie en een brief van de rechtbank in Nigeria. Deze onderbouwen de aangifte die eisers moeder heeft gedaan naar aanleiding van bedreigingen door [naam 1] en zijn handlangers.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn geloofwaardig geacht door verweerder. Verweerder acht eisers homoseksualiteit en de daaruit voorvloeiende problemen echter niet geloofwaardig. Met de door eiser overgelegde documenten toont hij de geloofwaardigheid van dit asielmotief niet aan. Daarnaast vormen eisers verklaringen hieromtrent geen samenhangend en aannemelijk geheel, hij heeft zijn verklaringen met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid namelijk niet kunnen verdiepen. Aangezien verweerder in de vorige procedure aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen summier, vaag en tegenstrijdig waren, had het op de weg van eiser gelegen om bij de nieuwe aanvraag diepgang te bieden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser met het iMMO-rapport niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de gehoren in de eerste procedure al PTSS had en hoe die klachten het gehoor hebben kunnen beïnvloeden. Evenmin heeft het iMMO inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de diagnose PTSS zijn gekomen en vanaf welk moment deze klachten zich manifesteerden. Bovendien blijkt uit het rapport van iMMO niet hoe zij in het geval van eiser tot de conclusie zijn gekomen hoe de genoemde klachten maakten dat hij niet compleet, coherent en consistent zou hebben kunnen verklaren in de eerdere procedure. Derhalve schuift verweerder – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 – het iMMO-rapport terzijde.

Verweerder acht het derde element, de bedreigingen door [naam 1], eveneens ongeloofwaardig. De door eiser overgelegde documenten zijn namelijk kopieën die niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd. Ook volgt er uit de documenten enkel dat er aangifte is gedaan, maar tonen zij niet het vervolg op de aangifte. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over hoe hij contact heeft met [naam 1] en over het moment waarop hij de dreig-sms heeft ontvangen.

Het iMMO-rapport en het vermogen om te verklaren

6. Eiser betoogt ten eerste dat verweerder niet zonder meer kan uitgaan van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 en dat verweerder ten onrechte heeft besloten om de conclusies van het iMMO-rapport niet in aanmerking te nemen. Eiser voert verder aan dat de bevindingen uit het iMMO-rapport en de informatie van zijn behandelaren bij [instelling] niet deugdelijk zijn betrokken in de besluitvorming. Hierdoor heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat kon worden uitgegaan van eisers verklaringen in de vorige en in de huidige asielprocedure.

De rechtbank stelt, net als de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025, voorop dat het iMMO-rapport een deskundigenrapport is. Wanneer een vreemdeling een iMMO-rapport inbrengt dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet verweerder de conclusie uit het rapport betrekken bij zijn beoordeling.

Het iMMO onderzoekt of lichamelijke bevindingen, zoals littekens of verwondingen, en psychische klachten passen bij de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Het iMMO stelt een rapport op aan de hand van een vaste vraagstelling, bestaande uit een A1-, A2- en B-vraag. De A1- en A2-vraag betreffen de mate waarin lichamelijke respectievelijk psychische klachten kunnen zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas, aan de hand van de gradaties uit het Istanbul Protocol, variërend van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. De B-vraag gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Het iMMO onderzoekt onder de B-vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten het verklaringsvermogen van de vreemdeling ten tijde van het asielgehoor hebben beïnvloed.

In de bovenstaande uitspraak van de Afdeling heeft het iMMO geconcludeerd dat in het geval van de desbetreffende vreemdeling, de geconstateerde psychische en lichamelijke problematiek beperkingen geeft die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren. De Afdeling komt – kort gezegd – tot de conclusie dat als het iMMO tot de kwalificatie ‘zeker’ geïnterfereerd met het vermogen om te verklaren komt, het iMMO inzichtelijk zal moeten maken dat die conclusie is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Het iMMO moet dan inzichtelijk maken waarom en in hoeverre de bij de vreemdeling geconstateerde klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis en waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas.

Het iMMO komt in het geval van eiser tot de conclusie dat uit het medisch onderzoek duidelijk psychische klachten naar voren komen. Eiser heeft PTSS-klachten en daarmee samenhangende specifieke angstklachten, somberheidsklachten en piekert veel. Verder heeft hij last van overmatige schuldgevoelens en cognitieve problemen. Op de B-vraag antwoordt het iMMO dat uit de analyse van de medische en juridische gegevens naar voren komt dat de geconstateerde psychische en lichamelijke problematiek van betrokkene ten tijde van de gehoren in de eerste asielaanvraag beperkingen heeft gegeven die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

In de besluitvorming stelt verweerder zich op het standpunt dat het niet inzichtelijk is hoe het iMMO tot de diagnose PTSS komt en vanaf welk moment eiser die klachten heeft. Verder stelt verweerder dat het iMMO niet inzichtelijk heeft gemaakt of eiser ten tijde van de gehoren in 2019 al PTSS had en hoe eisers klachten zijn vermogen om te verklaren ten tijde van die gehoren hebben beïnvloed. Eveneens stelt verweerder, onder verwijzing naar de bovenstaande Afdelingsuitspraak, dat voorbij mag worden gegaan aan de conclusie van het iMMO op de B-vraag en dat verweerder zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mocht baseren op de verklaringen van de vreemdeling tijdens de gehoren.

De rechtbank stelt vast dat de diagnose dat eiser lijdt aan PTSS berust op een door het iMMO zelf verricht medisch onderzoek. Ter zitting heeft verweerder dan ook erkend dat de diagnose PTSS niet langer ter discussie staat. Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of verweerder de bevindingen van het iMMO, met name ten aanzien van de B-vraag, terzijde heeft mogen schuiven.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder berust op een onjuiste lezing van zowel het iMMO-rapport als de Afdelingsuitspraak. De conclusie van het iMMO is in het geval van eiser immers dat de psychische problematiek zeer waarschijnlijk heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren, terwijl de conclusie van het iMMO in de aangehaalde Afdelingsuitspraak een andere de kwalificatie betrof, namelijk dat de problemen zeker geïnterfereerd hadden met het vermogen van die vreemdeling om te verklaren. Daarnaast leidt de rechtbank uit de Afdelingsuitspraak af dat steeds een individuele beoordeling moet worden gemaakt of de conclusie in het individuele rapport inzichtelijk is. Aan het oordeel van de Afdeling, dat verweerder in die zaak voorbij mocht gaan aan het antwoord van het iMMO op de B-vraag, heeft de Afdeling dan ook een individuele beoordeling ten grondslag gelegd. Verweerder kan dus niet volstaan met een algemene stelling dat aan het antwoord op de B-vraag van het iMMO voorbij kan worden gegaan zonder toe te lichten waarom in dit rapport de conclusie niet inzichtelijk is.

Overigens volgt de rechtbank verweerder niet waar hij stelt dat het antwoord op de B-vraag in de onderhavige zaak onvoldoende is geïndividualiseerd. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de redenering van het iMMO in deze zaak niet voldoende is toegespitst op eiser. Zowel uit het iMMO-rapport als uit de nadere reactie van het iMMO van 15 oktober 2024 volgt dat in het geval van eiser de conclusie omtrent het vermogen om te verklaren ten tijde van de eerste gehoren is gebaseerd op het advies en het onderzoeksdossier van het FMMU, het GZA-dossier en informatie uit de rapporten van de gehoren. Het FMMU heeft vier maanden voor het eerste asielgehoor van eiser beperkingen vastgesteld voor het horen en beslissen. Uit het onderzoeksdossier van het FMMU wat aan dat advies ten grondslag ligt komt naar voren dat eiser toen al last had van psychische klachten bestaande uit slaapproblemen, terugkerende gedachten en herinneringen aan pijnlijke of angstwekkende gebeurtenissen, zorgen, stress en piekergedachten en suïcidale gedachten. Uit het GZA-dossier blijkt ook dat eiser last had van veel piekeren en slaapproblemen. Het iMMO heeft op basis van het medisch dossier van eiser samen met de aanwijzingen uit de rapporten van de gehoren en de informatie uit de wetenschappelijke literatuur geconcludeerd dat de medische problematiek zeer waarschijnlijk heeft geïnterfereerd met het vermogen om compleet en consistent te verklaren. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom het iMMO hiermee niet op zorgvuldige en begrijpelijke wijze tot deze conclusie is gekomen.

Bovendien heeft eiser bij de zienswijze informatie overgelegd van zijn behandelaars bij [instelling] over de vraag of de klachten die eiser tijdens de eerste procedure had passen bij het ziektebeeld van PTSS en of die hebben geïnterfereerd met het vermogen van betrokkene om te verklaren. Zo antwoorden de behandelaars dat een deel van de genoemde klachten zoals vermeld in het FMMU onderszoeksdossier symptomen zijn van de classificatie PTSS. De behandelaars erkennen ook dat er geen volledige PTSS anamnese is gedeeld waardoor retrospectief niet is vast te stellen of eiser ten tijde van het FMMU-onderzoek voldeed aan de classificatie PTSS. Verder geven de behandelaars aan dat het in algemene zin bekend is dat slaapgebrek, stress, emotionele labiliteit, herbelevingen, onveilig gevoel, angst en verdriet een negatieve invloed hebben op de concentratie en emotionele kracht om pijnlijke herinneringen te verwoorden. Verder zien de behandelaars dat in de huidige behandeling geregeld een atypische vorm van dissociatie optreedt, met name bij langere of spannendere afspraken, bij spreken over traumatische ervaringen en bij vermoeidheid. Zij zien dat eiser dan ogenschijnlijk in contact blijft, maar dat de zichtbaarheid van emoties wordt verlaagd of verdwijnt en zijn antwoorden korter worden. Bij doorvragen lijkt eiser dan niet te weten waar het gesprek over is gegaan. Eiser staart bij de gesprekken voor zich uit en moet actief benaderd worden om zich weer op het gesprek te focussen. Zijn behandelaars zien in bijna elke sessie dissociatie en beperkingen in de concentratie en hebben geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet aanwezig zouden zijn op andere momenten in het leven van eiser. Verder zien zij dat de vaardigheid om "voor jezelf op te komen" situationeel is bij eiser en dat hij een onderdanige houding aanneemt tegenover zijn behandelaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee een extra onderbouwing aangeleverd voor de conclusies uit het iMMO-rapport. Verweerder is hier in het besluit niet kenbaar op ingegaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het iMMO-rapport niet terzijde had mogen schuiven. Verweerder had dan ook moeten uitgaan van de conclusie in dat rapport dat de psychische problemen van eiser tijdens de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. De beroepsgrond slaagt en het besluit kan om die reden geen stand houden. In het kader van de finale geschilbeslechting bespreekt de rechtbank waar mogelijk de overige beroepsgronden.

Referentiekader en psychische klachten

7. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder in de besluitvorming onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, waaronder zijn psychische klachten.

De rechtbank overweegt allereerst dat het uitgangspunt is dat verweerder in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van een vreemdeling. Dit volgt zowel uit vaste rechtspraak van de Afdeling als uit het eigen beleid van verweerder, waarin staat dat verweerder kenbaar rekening moet houden met het referentiekader tijdens het gehoor en de geloofwaardigheidsbeoordeling. In asielaanvragen waar seksuele gerichtheid centraal staat, zijn de verklaringen van de vreemdeling doorgaans het belangrijkste bewijsmiddel om het vluchtrelaas te staven. Juist daarom is het van belang dat verweerder zorgvuldig onderzoekt wat het referentiekader is en wat hij mag verwachten van eiser als het gaat om het kunnen verklaren over zijn asielrelaas.

Eiser is in het kader van de opvolgende aanvraag opnieuw gehoord. De rechtbank stelt vast dat hij tijdens dat opvolgende gehoor op verschillende momenten erg emotioneel wordt, soms erg lang stil is en voor langere periodes niet reageert en voor zich uitstaart. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in de volgende delen van het gehoor:

“Opmerking rapporteur: Betrokkene begint te huilen. Ik haal een doekje om de tranen te drogen.”

Opmerking rapporteur: betrokkene staart ruim een minuut naar de grond.

Daarna oogt hij weer alerter en kan er weer een vraag gesteld worden.”

Voelt u zich goed genoeg om door te gaan met het gehoor?

Laten we doorgaan, maar ik ben niet oké.”

U hebt aangegeven door uw psychische klachten niet goed te hebben kunnen

verklaren tijdens de gehoren bij de vorige aanvraag. Op welke punten hebt u

toen niet goed kunnen verklaren?

Dat ik niet goed heb kunnen praten komt door psychische problemen. Ik ben

vergeetachtig. Ik kan me daardoor niet goed uitdrukken over hoe ik me voel.

Ook niet over mijn gevoelens. Door mijn problemen met gezondheid kan ik dat

niet goed uitdrukken.

Als ik de oude gehoren en het rapport van IMMO kijk, dan lees ik dat u in staat bent om chronologisch te vertellen wat u hebt meegemaakt. Wat hebt u niet kunnen vertellen tijdens de gehoren?

Ik wil er nu niet over praten. Ik wil er nu niet echt over praten. Het is moeilijk voor mij om te zeggen.”

“Opmerking rapporteur: betrokkene staart voor zich uit. Na ongeveer een halve minuut oogt betrokkene weer alerter. De tolk legt nogmaals het voorgaande uit. Betrokkene vraagt om een pauze en wil graag even alleen zijn en water drinken.”

9

“Opmerking rapporteur: betrokkene moet huilen. Tranen rollen over zijn wangen.”

“Opmerking rapporteur: betrokkene staart ongeveer een minuut naar de vloer.

Wilt u vertellen hoe deze relatie ontstaan is?

Het is moeilijk voor mij om daarover te praten of iets daarover te zeggen. Het is moeilijk.

Opmerking rapporteur: betrokkene blijft naar de vloer staren. Na ongeveer een minuut ga ik verder. Betrokkene kijkt weer op en lijkt alerter.”

Dit beeld van eiser wordt op de zitting bevestigd. Eiser maakt tijdens de zitting een zeer kwetsbare indruk op de rechtbank. Hij staart veel voor zich uit, het duurt vaak lang voordat eiser antwoord geeft op de gestelde vragen en zijn antwoorden zijn bovendien erg kort.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar heeft betrokken hoe eiser er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag aan toe was. Verder heeft verweerder in de besluitvorming onvoldoende kenbaar betrokken van welk referentiekader is uitgegaan en hoe het referentiekader is betrokken bij de boordeling van eisers verklaringen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen zowel tijdens de vorige als tijdens de huidige aanvraag structureel te vaag, summier en algemeen zijn. Verder meent verweerder dat niet in geding is dat er bij eiser sprake is van psychische klachten, maar wordt wel van eiser verwacht dat hij in eigen woorden kan verklaren over zijn gevoelens en hoe deze zouden zijn ontwikkeld sinds de vorige aanvraag. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet uitgelegd waarom er méér van eiser kan worden verwacht en waarop dit is gebaseerd. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom, ondanks de ernstige psychische problematiek van eiser, alsnog van eiser mag worden verwacht dat hij in staat is diepgaande(re) verklaringen af te leggen over zijn gevoelens omtrent zijn seksuele gerichtheid.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser in de huidige procedure geen verdieping heeft gegeven aan zijn verklaringen ten opzichte van de vorige procedure. Verweerder werpt aan eiser tegen dat hij enerzijds stelt meer contact te hebben met LHBTIQ+-organisaties en stelt zich minder te schamen, terwijl eiser anderzijds bij het doorvragen naar zijn gevoel enkel het algemene verschil tussen de positie van LHBTIQ+-personen in Nederland en Nigeria benoemt. Verder werpt verweerder tegen dat eiser te weinig inzicht geeft in hoe het voor hem was om een relatie te krijgen met zijn ex-partner [naam 2]. Los van het feit dat het niet duidelijk is hoe verweerder eisers psychische gesteldheid heeft betrokken en verweerder niet duidelijk maakt waarom er méér van eiser had mogen worden verwacht, volgt de rechtbank niet dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens. De conclusie van verweerder doet naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen recht aan hetgeen eiser wél heeft kunnen verklaren, ondanks zijn kwetsbare indruk tijdens het gehoor. Eiser heeft immers verklaard dat hij ‘aan het worstelen’ is en dat hij dit al van jongs af aan doet en dat hij nu wel kan laten zien wie hij is, zich niet meer schaamt en soms zelfs trots kan zijn. Hij heeft ook verklaard dat hij over sommige onderwerpen erg moeilijk kan praten en dat hij niet over zijn ex-partner [naam 2] wil praten. Als verweerder desondanks doorvraagt over [naam 2] geeft eiser uitgebreid antwoord dat [naam 2] hem niet steunde in zijn keuze om in behandeling te gaan bij [instelling] en dat dit heel pijnlijk voor hem was. Nadat eiser dit verklaart staart eiser weer naar de vloer en is hij ongeveer een minuut stil, waarna hij aangeeft dat het heel moeilijk is om daarover te praten waarna hij vervolgens weer een minuut naar de grond staart. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser waar mogelijk antwoord gegeven op de vragen die hem werden gesteld en had het op de weg van verweerder gelegen om meer door te vragen als de antwoorden die eiser gaf onvoldoende inzichtelijk waren.

Ook deze beroepsgrond slaagt.

Foto’s en verklaringen van derden

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de foto’s en verklaringen van derden die eiser heeft overgelegd enkel kan worden afgeleid dat hij deelneemt aan LHBTIQ+-activiteiten, maar dat uit de deelname hieraan niet eisers seksuele gerichtheid kan worden afgeleid. Hoewel de rechtbank verweerder wel kan volgen in de stelling dat eenieder kan deelnemen aan deze activiteiten en dat uit de deelname alleen niet iemands seksuele gerichtheid kan worden afgeleid, getuigt de motivering van verweerder niet van een integrale beoordeling van het asielrelaas van eiser.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de ingebrachte verklaringen niet alleen blijkt dat eiser deelneemt aan deze evenementen. De brief van [bedrijf 3] van 30 oktober 2023 beschrijft het traject wat eiser daar heeft doorlopen en beschrijft de gesprekken over eisers seksuele gerichtheid, zijn ervaringen in het land van herkomst en dat er een doorverwijzing is gemaakt naar [instelling]. Ook staat er in deze brief dat eiser in het afgelopen jaar grote stappen maakt door zich meer te uiten over zijn genderidentiteit en seksuele geaardheid. In de brief van [bedrijf 3] van 26 juli 2024 staat vervolgens: “vanaf het moment dat [eiser] werd gekoppeld aan zijn buddy, [naam 3], heeft hij significante vooruitgang geboekt in zijn LHBTIQ+-reis als homoseksuele man”. Eiser heeft ook een verklaring van deze buddy ingebracht die schrijft over hun deelname aan verschillende queer-activiteiten en wat dit voor eiser betekent. In de verklaring van [bedrijf 1] van 22 juli 2024 staat dat eiser bijna naar alle bijeenkomsten en activiteiten komt, dat eiser aangeeft heel blij te worden van dat de mensen hem daar begrijpen en dat hij zich veilig voelt. De grote hoeveelheid aan foto’s van eiser op verschillende evenementen ondersteunen deze verklaringen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat de ingebrachte foto’s en verklaringen het asielrelaas van eiser onderbouwen en dat uit de besluitvorming niet blijkt dat verweerder dit in onderlinge samenhang heeft betrokken. Als verweerder hierover meer van eiser had willen horen, dan had het op de weg van verweerder gelegen om eiser nader en concreet te bevragen over zijn deelname en activiteiten en wat deze activiteiten voor hem betekenen in relatie tot zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Er waren hiervoor naar het oordeel van de rechtbank in het gehoor opvolgende aanvraag ook diverse aanknopingspunten. Eiser verklaart bijvoorbeeld dat hij deelneemt aan activiteiten en zich door zijn deelname veiliger voelt en minder bang is. Eiser wordt hier in het gehoor echter niet verder op bevraagd.

De rechtbank is aldus met eiser van oordeel dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de overgelegde stukken, de kwetsbare psychische gesteldheid van eiser en zijn afgelegde verklaringen onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt ook.

Kosten iMMO-rapportage

9. Tot slot heeft de gemachtigde van eiser nog opgemerkt dat verweerder reeds op 15 januari 2024 is verzocht om de kosten voor de iMMO-rapportage te vergoeden. In het bestreden besluit staat dat verweerder het verzoek heeft doorgezet naar een schadespecialist. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat een andere afdeling hierover gaat, maar dat tot op heden nog niet op het verzoek is beslist. De rechtbank hoeft hier daarom niet verder op in te gaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. In het nieuwe besluit dient verweerder alle beschikbare informatie kenbaar en in samenhang in de beoordeling te betrekken. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van acht weken. Mocht verweerder aanleiding zien om eiser opnieuw te horen, dan zal deze termijn met acht weken worden verlengd. Als verweerder besluit eiser opnieuw te horen, dan ligt het op de weg van verweerder om te onderzoeken of er op dit moment relevante beperkingen voor het horen zijn en of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft.

11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,-, omdat gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder NL25.17905:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Indien verweerder aanleiding ziet om eiser opnieuw te horen, wordt deze termijn verlengd met acht weken.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder NL25.17906:

 wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken:

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand