[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1977, van Filipijnse nationaliteit,
eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is na het genomen bestreden besluit omgeklapt naar een voorlopige voorziening hangende beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. Koyunca als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minster deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Besluitvorming
2. Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel verblijf bij familie- of gezinslid bij [referent] (referent). Met het bestreden besluit van 4 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel volgens de minister wel sprake is van familieleven alsook privéleven, valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit. Verder stelt de minister dat het vasthouden aan het mvv-vereiste niet onevenredig hard is.
Tot slot is van het horen in bezwaar afgezien, omdat het bezwaar volgens de minister kennelijk ongegrond is.
3. Eiseres kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens haar is aangevoerd.
MVV-vereiste
4. Eiseres betoogt in beroep dat het mvv-vereiste een ernstige inbreuk maakt op het gezinsleven. Een enkele verwijzing naar de mvv-plicht volstaat niet, omdat dit neerkomt op discriminatie naar nationaliteit. Het vereiste is uitsluitend gebaseerd op nationaliteit, een onveranderlijke eigenschap. Omdat zij uit de Filipijnen komt, moet zij beschikken over een mvv en voldoen aan het inburgeringsvereiste, wat volgens haar discriminerend is. Op zitting heeft eiseres daarom aangevoerd dat het mvv-vereiste in strijd is met het discriminatieverbod, en daarbij gewezen op de uitspraken van de rechtbank Den Haag zittingsplaats Amsterdam van 16 april 2024 en zittingsplaats Haarlem van 23 januari 2023. Verder merkt eiseres op dat het onderscheid naar nationaliteit niet kan worden gerechtvaardigd op economische gronden, omdat het mvv-vereiste geen economisch doel dient en geen aantoonbare economische effecten heeft. De prejudiciële vraag van de Afdeling van 11 juni 2025 over de Wet inburgering in het buitenland is volgens haar onvoldoende om te beoordelen of toepassing van het mvv-vereiste op basis van nationaliteit is toegestaan. Daarom verzoekt zij ook om een prejudiciële vraag te stellen die specifiek ziet op het niet-economische karakter van het mvv-vereiste.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet en overweegt daartoe als volgt. De vraag of in het kader van het mvv-vereiste een onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit is reeds bevestigend beantwoord door de Afdeling in onder meer de uitspraak van 31 januari 2006. Hieruit volgt dat het onderscheid naar nationaliteit waar eiseres op doelt, wordt gemaakt ter bescherming van de Nederlandse economische orde en dat voor het maken van dit onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor een ander oordeel. De verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraken van 16 april 2024 en 23 januari 2023 en de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025 gaat in deze zaak niet op. Deze uitspraken zien immers op de vraag of sprake is van onderscheid op grond van nationaliteit tussen vreemdelingen die moeten voldoen aan het inburgeringsvereiste in het buitenland en vreemdelingen die daarvan zijn vrijgesteld. Bovendien moet het Hof zich nog uitspreken over de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
5. Eiseres beroept zich op het evenredigheidsbeginsel. Volgens haar is het mvv-vereiste niet geschikt om het beoogde doel te bereiken, waaronder het voorkomen van een onrechtmatige inreis. Eiseres is al in het verleden op rechtmatige wijze ingereisd, dus dat doel wordt hier niet gediend. In dit specifieke geval ontbreekt de noodzaak van het mvv-vereiste.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het mvv-vereiste zoals neergelegd in de nationale regelgeving op zichzelf genomen niet in strijd is met het doel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook uit het arrest Yön volgt dat het mvv-vereiste op zichzelf genomen niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Daarnaast heeft eiseres niet toegelicht waarom het mvv-vereiste in haar geval onevenredig zou zijn. Eiseres heeft namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste. Het feit dat eiseres Nederland in het verleden rechtmatig is ingereisd, maakt niet dat zij niet mvv-plichting is. Eiseres is met een (toeristen)visum op 18 oktober 2019 Nederland ingereisd. Na het verstrijken van dit visum op 1 december 2019 is eiseres in Nederland gebleven. Het is niet mogelijk om een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning op basis van het feit dat eiseres in het verleden Nederland rechtmatig is ingereisd. De grond dat in het geval van eiseres het stellen van het mvv-vereiste in strijd is met het (unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel, slaagt daarom niet.
Horen in bezwaar
6. Verder heeft eiseres in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Volgens haar zijn er zwaarwegende belangen in het geding en is zij zelf niet goed in staat haar argumenten, feiten en standpunten naar voren te brengen. Zij stelt dan ook dat het besluit reeds wegens schending van de hoorplicht voor vernietiging in aanmerking komt.
De rechtbank is met eiseres eens dat de minster in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld in de uitspraak van 6 juli 2022, is het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De hoogste bestuursrechter wijst daarbij expliciet op zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. De minister mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank vindt voor dit oordeel allereerst van belang dat bij aanvraag is verklaard dat partner van eiseres (referent) chronisch ziek is en eiseres voor hem zorgt. Ook is aangevoerd dat het gezinsleven niet in de Filipijnen uitgeoefend kan worden vanwege de chronische ziekte van de partner. In bezwaar heeft eiseres wederom gewezen op deze omstandigheden in het kader van ontheffing van het mvv-vereiste door toepassing van de hardheidsclausule als sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden in combinatie met het voldoen aan alle overige verblijfsvoorwaarden. De rechtbank stelt vast dat in bezwaar geen aanvullende stukken zijn overlegd. Dat betekent echter niet direct dat de minister op grond daarvan kan afzien van het horen.
De rechtbank vindt het van belang dat eiseres in haar bezwaarschrift expliciet heeft verzocht om gehoord te worden. Het feit dat eiseres in de beroepsfase een nieuw stuk heeft ingediend ter onderbouwing van de zorgtaken, geldt als indicatie dat eiseres bereid was nadere informatie te geven en dit mogelijk al in de bezwaarfase had gedaan als de minister was overgegaan tot horen. Op de zitting heeft de partner van eiseres ook toegelicht welke ondersteuning hij van de gemeente ontvangt op grond van de Wmo. Ook is van belang dat het hier gaat om een zaak waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. In dat kader spelen de vraag of de partner van eiseres door zijn ziekte afhankelijk is van eiseres een rol, als ook de belangenafweging ter zake van haar privéleven en gezinsleven. In dit soort situaties ligt juist voor de hand om te horen, omdat de feiten relevant zijn. Hierbij wijst de rechtbank nogmaals op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 waaruit volgt dat horen in veel gevallen aangewezen is omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen.
Overige beroepsgronden
7. Nu het beroep, gelet op wat hiervoor is overwogen, gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke beoordeling van de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Hierbij is van belang dat de uitkomst van de hoorzitting, en eventuele aanvullende stukken die daarop volgen, mogelijk van invloed zijn op het standpunt van de minister over vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
8. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om, voor zover van belang voor een eventuele finale geschilbeslechting, het volgende op te merken over het al dan niet vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
Allereerst wijst de rechtbank erop dat de omstandigheid dat de referent ziek is, niet automatisch meebrengt dat de hardheidsclausule wordt toegepast. Dit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en van hetgeen door de betrokkenen wordt aangevoerd en onderbouwd. Voorts wijst de rechtbank onder meer op IB 2023/74, waarnaar eiseres in beroep heeft verwezen, waarin onder meer is uiteengezet hoe de minister dient te handelen.
IB 2023/74
De rechtbank leidt uit IB 2023/74 af dat er grofweg twee gevallen te onderscheiden zijn. Ten eerste de situatie waarin geen, of evident onvoldoende, bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden worden aangevoerd. Het beroep op de hardheidsclausule kan dan direct worden afgewezen. Ten tweede de situatie waarin wél bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden worden aangevoerd, maar deze op zichzelf niet voldoende zijn. In dat geval moet worden beoordeeld of aan de overige verblijfsvoorwaarden wordt voldaan. Als richtsnoer kan gelden dat, wanneer de aangevoerde omstandigheden neigen naar een onbillijkheid van overwegende aard maar net niet voldoende zijn, het voldoen aan de overige verblijfsvoorwaarden doorslaggevend kan zijn voor toewijzing van het beroep op de hardheidsclausule. In overige gevallen, waarin de omstandigheden minder duidelijk wijzen op een onbillijkheid van overwegende aard, moet per geval worden bekeken of de combinatie van feiten en het voldoen aan de overige verblijfsvoorwaarden het beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. De rechtbank wijst erop dat de minister in het nieuw te nemen besluit IB 2023/74 kenbaar moet betrekken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dit betekent dat de minister eiseres en/of referent alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen, en daarbij deze uitspraak moet betrekken. De rechtbank ziet dus geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- en € 194,- vergoeden. De rechtbank ziet in dit geval ook aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.17453:
De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.40939:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.