ECLI:NL:RBDHA:2026:13678

ECLI:NL:RBDHA:2026:13678

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer NL24.32636
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf. Geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, want geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn moeder. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.32636

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiseres. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 augustus 2023 afgewezen. Dit besluit heeft verweerder in bezwaar gehandhaafd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1958 en heeft de Syrische nationaliteit. [persoon A] (hierna: referent) is geboren op [geboortedatum 2] 1987, heeft de Syrische nationaliteit en is de zoon van eiseres. Eiseres beoogt te verblijven bij referent. Referent heeft daarom op 14 januari 2023 een mvv-aanvraag ten behoeve van eiseres ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit

3. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Tussen eiseres en referent bestaat geen familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu niet is gebleken dat er tussen eiseres en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een mvv aan eiseres, aldus verweerder.

Beroepsgronden

4. Eiseres voert aan dat er wel sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zij is voor zorg afhankelijk van het geld dat referent haar stuurt en kan zonder zijn geld niet in haar dagelijkse levensbehoeften voorzien. Nu eiseres zonder het geld van referent niet zal overleven, is reeds sprake van exclusieve afhankelijkheid, aldus eiseres. Zij doet een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188. Eiseres stelt dat verweerder niet alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Zo heeft verweerder niet kenbaar betrokken dat eiseres sinds 1990 een alleenstaande vrouw is en dat referent tot aan zijn vertrek uit Syrië in 2015 bij haar is blijven wonen. Zij hebben sindsdien contact gehouden en hij stuurt eiseres geld. Er is sprake van een diepgaande emotionele band. Verder is de gezondheidssituatie van eiseres sinds 2022 significant verslechterd. Zij kan niet meer voor zichzelf zorgen en heeft iemand nodig die haar voortdurend verzorgt, en dus niet iemand die haar af en toe bezoekt. Eiseres woont in een door oorlog en aardbeving verwoeste omgeving en huis. De kinderen van eiseres, op één dochter na, wonen niet in Syrië. De in Syrië wonende dochter kan echter niet voor eiseres zorgen. Eiseres kan zich niet naar haar dochter verplaatsen en deze dochter woont in het huis van haar man. In Syrië is het bovendien gebruikelijk dat de zonen, en niet de dochters, voor hun ouders zorgen. De man van de dochter van eiseres heeft ook al de zorg voor zijn ouders. Van haar buren kan ook niet worden verwacht dat zij voor eiseres zorgen. Volgens eiseres hebben haar buurvrouwen misbruik van de situatie gemaakt door eiseres op te lichten, haar van haar huisraad en geld te beroven en haar te mishandelen en te vernederen. Omdat het gebruikelijk is dat zonen voor hun ouders zorgen, is het ook niet correct dat eiseres in een verzorgingshuis terecht zou kunnen. Bovendien is er in Aleppo geen verzorgingshuis dat moslims opneemt.

Beoordeling door de rechtbank

5. Familieleven tussen meerderjarige kinderen (niet zijnde jongvolwassenen) en hun ouders is beschermenswaardig in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen ‘more than the normal emotional ties’ (hierna: bijkomende elementen van afhankelijkheid) bestaan. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen familieleden moeten alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken en zijn factoren als samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van (een van) de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang. Deze factoren moeten in onderling verband en samenhang worden bezien. Geen van deze factoren is op zichzelf, of in combinatie, per definitie voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Verweerder mag bij de beoordeling zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven.

De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, uit de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 niet volgt dat in die zaak sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De Afdeling heeft in die uitspraak immers alleen geoordeeld dat verweerder in die zaak niet alle aangevoerde omstandigheden had betrokken en beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn besluitvorming alle door eiseres aangevoerde omstandigheden heeft betrokken. Het beroep van eiseres op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 slaagt daarom niet. Hierna zal de rechtbank ingaan op de omstandigheden die in het geval van eiseres een rol spelen.

Over de (factor) samenwoning overweegt de rechtbank als volgt. Referent woonde tot zijn vertrek uit Syrië in 2015 met zijn echtgenote en eiseres in het huis van eiseres. De echtgenote en zoon van referent zijn in 2016 naar Nederland gekomen. Dit betekent dat referent en eiseres ten tijde van het bestreden besluit al negen jaar niet met elkaar samenwoonden. Verweerder stelt niet ten onrechte dat de omstandigheid dat gezinsleden niet samenwonen en ieder een eigen familie- of gezinsleven onderhoudt, in de regel een aanwijzing is dat er géén sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Over de (factor) financiële afhankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Niet is geschil is dat eiseres financieel afhankelijk is van referent. Referent heeft ook onderbouwd dat hij eiseres regelmatig geld stuurt. Verweerder wijst er echter niet ten onrechte op dat referent deze hulp ook op afstand kan voortzetten als eiseres in Syrië blijft wonen.

Over de (factor) emotionele afhankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel de rechtbank aanneemt dat er een (sterke) emotionele band is tussen eiseres en referent en zij begrijpt dat referent graag wil dat eiseres bij hem in Nederland komt wonen, betekent dit niet dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiseres en referent al sinds 2015 gescheiden van elkaar leven en zij op dezelfde manier contact kunnen onderhouden zoals zij dit tot nu toe hebben gedaan. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de ondersteuning van referent aan eiseres vanuit Nederland niet (langer) mogelijk zou zijn.

Over de (factoren) gezondheid en zorgafhankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres was niet hulpbehoevend toen zij en referent nog samenwoonden. Referent verleende voor zijn vertrek uit Syrië dus geen mantelzorg aan eiseres. Verweerder wijst er ook niet ten onrechte op dat eiseres zich sinds 2015 zonder fysieke hulp van referent staande houdt. Sinds 2022 is de gezondheidssituatie van eiseres ernstig verslechterd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres en referent erg moeilijk is, heeft verweerder niet ten onrechte benoemd dat het voorzienbaar is dat als een meerderjarig kind in Nederland verblijft, nadien op enig moment een in het land van herkomst achtergebleven ouder hulpbehoevend wordt. Dit is op zichzelf echter niet voldoende om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de ten tijde van het bestreden besluit overgelegde stukken blijkt wel dat eiseres psychische problemen heeft en voor de dagelijkse boodschappen afhankelijk is van anderen, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd dat niet in deze zorg kan worden voorzien. Uit het dossier blijkt dat de buren van eiseres boodschappen voor haar doen en dat referent deze buren hiervoor betaalt. Deze financiële steun kan referent vanuit Nederland voortzetten. Eiseres heeft voorts de stelling in beroep dat haar buren zodanig misbruik maken van de situatie door eiseres op te lichten, haar van haar huisraad en geld te beroven en haar te mishandelen en vernederen dat niet mag worden verwacht dat de zorg op deze manier wordt voortgezet, niet met stukken onderbouwd. Uit de door eiseres overgelegde foto’s valt weliswaar op te maken dat haar huis zwaar is beschadigd en haar positie daardoor extra kwetsbaar is, maar dat leidt niet tot de conclusie dat zij daardoor meer dan gebruikelijk afhankelijk is geworden van referent. Een slechte veiligheidssituatie in het land van herkomst is op zichzelf niet voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Verweerder heeft bovendien kunnen betrekken dat referent te kennen heeft gegeven dat zijn zus nog in Syrië, in een veilig(er) gebied, woont en dat het voorstelbaar is dat eiseres zich bij deze dochter vestigt als zij zorg nodig heeft. Eiseres stelt weliswaar dat zij zich niet naar deze dochter kan verplaatsen, maar zij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Eiseres heeft daarnaast betoogd dat deze dochter niet voor haar kan zorgen, onder andere omdat deze dochter in het huis van haar man woont en het in Syrië gebruikelijk is dat de zonen (en dus niet de dochters) voor hun ouders zorgen, wat de man van de dochter van eiseres al doet. De rechtbank acht deze enkele, niet met bijvoorbeeld verklaringen onderbouwde stelling onvoldoende voor het oordeel dat het voor eiseres geen optie is om zich bij haar dochter (en schoonzoon) te vestigen. Hoewel verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor eiseres in Syrië bijvoorbeeld een verzorgingshuis beschikbaar is, volgt uit het voorgaande dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiseres enkel is aangewezen op de zorg van referent en zij zonder zijn zorg niet kan functioneren.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eiseres en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Verweerder stelt daarom terecht dat tussen hen geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. W. Roozeboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand