RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23238
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij haar zoon (referent) en zijn gezin in Nederland als familie- of gezinslid. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen onder meer omdat geen sprake is van (beschermingswaardig) gezinsleven tussen eiseres en referent. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referent. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft voor eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv in Nederland met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 25 mei 2022 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon A] als referent, S. Hassan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres bezit de Syrische nationaliteit en wenst verblijf als familie- of gezinslid bij referent en zijn gezin in Nederland. Eiseres is de moeder van referent. Referent is sinds 2021 in Nederland en in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zijn vrouw en vier minderjarige kinderen zijn sinds 2022 in Nederland en hebben een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Eiseres en referent hebben het grootste gedeelte van hun leven in hetzelfde huis gewoond. Eiseres heeft van 2015 tot het vertrek van referent en diens gezin naar Nederland bij referent, schoondochter en kleinkinderen gewoond.
Op 27 oktober 2021 heeft referent voor eiseres een aanvraag voor een mvv ingediend met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Met het besluit van 25 mei 2022 is de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 is verweerder bij die afwijzing gebleven. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat – hoewel de familierechtelijke banden zijn aangetoond – geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referent en zijn vrouw omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er is volgens verweerder ook geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen zodat ook tussen hun geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven. Om voornoemde reden is geen belangenafweging gemaakt in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Toetsingskader
4. Artikel 8 van het EVRM beschermt het recht op eerbieding van het familie- en gezinsleven. Een vreemdeling kan met een beroep op artikel 8 van het EVRM verweerder verzoeken om tot Nederland te worden toegelaten en een verblijfsvergunning te verlenen om de vreemdeling in staat te stellen familie- en gezinsleven uit te oefenen met een in Nederland verblijvend familielid. Daartoe moet eerst worden vastgesteld of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven.
Heeft verweerder het juiste beoordelingskader toegepast?
5. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder voor het vaststellen van het bestaan van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referent een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Eiseres stelt dat verweerder een andere (en onjuiste) invulling geeft aan het begrip “more than normal emotional ties” dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bedoeld.
De rechtbank overweegt dat uit arresten van het EHRM volgt dat relaties tussen meerderjarige familieleden (bijvoorbeeld bij ouders en hun meerderjarige kinderen) onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als de banden tussen hen “further elements of dependency involving more than normal emotional ties” bevatten. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Daarbij moet worden gekeken naar verschillende elementen, waaronder of de gezinsleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Het betreft een beoordeling van feitelijke aard. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet vervolgens het onderzoek van verweerder naar de door de vreemdeling aangedragen relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder in het bestreden besluit nog is uitgegaan van de oude terminologie en in de beoordeling verwijst naar de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (“more than normal emotional ties”). Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit onderscheid voor de beoordeling geen verschil maakt omdat dezelfde elementen worden getoetst. Ook heeft verweerder aangegeven dat de aanwezigheid van familiale banden tussen eiseres en referent niet ter discussie staat, maar dat die banden niet automatisch maken dat sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet in voorgaande, anders dan eiseres heeft gesteld, geen grond voor het oordeel dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank zal in deze uitspraak verder uitgaan van de bijkomende elementen van afhankelijkheid (BEVA) die de meer dan gebruikelijke emotionele banden overstijgen overeenkomstig het toetsingskader zoals hiervoor is weergegeven.
Bestaat er beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en referent?
6. Eiseres stelt dat sprake is van een beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referent. Eiseres voert aan dat verweerder heeft miskend dat tussen eiseres en referent een bijzondere band bestaat die niet alleen cultureel is bepaald, maar ook emotioneel zo is gegroeid. Eiseres stelt verder dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat de lange duur van de samenwoning is meegewogen in haar voordeel. Bovendien volgt uit de medische verklaringen dat eiseres afhankelijk is van de zorg van referent, mede omdat de buurman de zorgverlening niet kan blijven continueren. De zussen van referent verblijven met hun echtgenoten in het buitenland. Eiseres stelt verder nog dat in Syrië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15 van de Definitierichtlijn, dan wel artikel 3 van het EVRM of artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de gezondheidszorg in Syrië daaronder te lijden heeft en Nederland zijn rol zou moeten pakken als er ook Nederlandse belangen mee zijn gemoeid, zoals volgens eiseres in dit geval.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan tussen eiseres en referent beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen. Verweerder heeft alle door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, ook in samenhang bezien, bij de beoordeling betrokken. Verweerder heeft het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in het bestreden besluit uitvoerig en voldoende gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder in het voordeel van eiseres onder andere betrokken dat eiseres en referent gedurende een langere periode hebben samengewoond en ook een hechte emotionele band hebben. Dat is – zo heeft verweerder onder verwijzing naar Werkinstructie 2020/16 ter zitting nog verklaard – op zichzelf niet doorslaggevend om beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Daarbij heeft verweerder het van belang kunnen achten dat eiseres, ondanks haar medische situatie, ook zonder aanwezigheid van referent (en zijn familie) ten tijde van het bestreden besluit in staat was voor zichzelf te zorgen, haar eigen dagelijkse dingen te doen en zelfstandig met de taxi naar de dokter te gaan. Referent is al sinds 2021 in Nederland en zijn gezin vanaf 2022. Niet is gebleken dat die afwezigheid eiseres heeft belemmerd in haar functioneren. Het feit dat haar buurman haar daarbij helpt en dat mogelijk niet blijvend kan doen, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de medische aandoening van eiseres ook niet dat er in dit geval bijzondere zorg of ondersteuning nodig is; eiseres heeft dit bovendien niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen die eiseres in bezwaar en beroep heeft overlegd, maken dat niet anders. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat uit deze verklaringen niet blijkt dat en waarom eiseres vanwege medische redenen bij referent moet zijn. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres en referent fijner zou zijn, maar dat leidt niet tot een bijkomend element van afhankelijkheid. Dat referent eiseres financieel ondersteunt, maakt dat – voor zover dat al zou zijn aangetoond – niet anders, waarbij verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres deze financiële steun kan ontvangen ook als zij niet in Nederland woont. Ook de algemene veiligheidssituatie in Syrië kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft gespecificeerd welke individuele omstandigheden in Syrië verband houden met het uit te oefenen familieleven van eiseres. Hoewel de rechtbank begrijpt dat – ook voor de kinderen van referent – eiseres en referent willen dat eiseres naar Nederland komt, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich bij de weging van voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hieruit geen bijkomende elementen van afhankelijkheid volgen en dus geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eiseres en referent. Verweerder heeft daarom terecht geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM gemaakt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen mvv krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.