[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 7 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 14 mei 2026 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het Detentiecentrum Rotterdam. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
(lichte gronden) 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De minister heeft op de zitting de zware gronden 3f en 3j en de lichte grond 4e laten vallen.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op
9 april 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de door de minister gehandhaafde gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat eerder is geprobeerd eiser met een lichter middel, namelijk plaatsing op een VBL, in de gelegenheid te stellen vrijwillig te vertrekken, maar dat dit niet heeft geleid tot terugkeer en dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
Ook is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 11 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verder heeft de minister voorafgaand aan de bewaring, namelijk op 21 april 2026, een verzoek tot wedertoelating van eiser gezonden naar de autoriteiten van Georgië. Op 11 mei 2026 zijn de autoriteiten van Georgië akkoord gegaan met de wedertoelating van eiser. Dat akkoord is ontvangen op 15 mei 2026. Naar aanleiding daarvan is op 19 mei 2026 is een vlucht voor eiser aangevraagd, die staat gepland op 30 mei 2026. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat deze vlucht mogelijk nog eerder kan plaatsvinden, namelijk op 25 mei 2026, als eiser met het IOM vertrekt. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Het beginsel van non-refoulement en de uitzetting van eiser
9. De rechtbank ziet zich, gelet op het arrest Adrar van het Hof van Justitie, ambtshalve gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement, dan wel het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, zich verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit, dan wel dat deze belangen en dit beginsel een nadere beoordeling behoeven.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 volgt dat met het horen van de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling de minister kan onderzoeken of zij een besluit tot oplegging van bewaring kan nemen en dat besluit zorgvuldig kan voorbereiden. Om te voldoen aan wat het Hof in het arrest Adrar in de punten 65 en 66 heeft overwogen, moet de minister de vreemdeling in dat gehoor actief en concreet bevragen, zodat binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. Het resultaat van dit onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van het besluit tot bewaring, gelet op het vereiste dat de inbewaringstelling schriftelijk moet worden gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Alleen dan wordt kenbaar gewaarborgd dat het beginsel van non-refoulement bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn is betrokken, en kan de rechter die motivering betrekken bij zijn beoordeling wanneer hij binnen het kader van zicht op uitzetting ambtshalve toetst of dat beginsel zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij vreest voor terugkeer naar Georgië vanwege bedreigingen door ex-zakenpartners, in verband met een onderneming die hij samen met zijn broer heeft geërfd. Deze personen zouden volgens eiser contacten hebben binnen de overheid en de onderwereld en druk uitoefenen om de onderneming over te dragen. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij deze bedreigingen niet kan aantonen, omdat daarvan geen schriftelijke of digitale sporen zouden bestaan. Verder heeft eiser verklaard dat hij bescherming heeft gezocht bij de politie in Georgië, maar dat dit volgens hem geen resultaat heeft opgeleverd.
In de maatregel van bewaring is vervolgens overwogen dat eiser is bevraagd over een mogelijk risico bij terugkeer en dat uit het gehoor en ambtshalve bekende gegevens geen aanwijzingen zijn gebleken voor een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM.
De rechtbank acht deze motivering ontoereikend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het geval van eiser zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld en de maatregel is gebaseerd op een terugkeerbesluit waarin geen afzonderlijke beoordeling van het refoulementrisico en de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen heeft plaatsgevonden. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaringen afgelegd die op een dergelijk risico kunnen duiden. Van de minister mag daarom worden verwacht dat in de motivering van de maatregel expliciet op die verklaringen wordt ingegaan. Door te volstaan met de enkele constatering dat er geen aanwijzingen bestaan voor een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM, zonder kenbare weging van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze het vereiste onderzoek naar het beginsel van non-refoulement heeft plaatsgevonden en hoe dit bij de besluitvorming is betrokken.
Gelet op het voorgaande is niet kenbaar gewaarborgd dat het beginsel van non-refoulement daadwerkelijk en zorgvuldig in de besluitvorming voor de oplegging van de maatregel is betrokken. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek, omdat niet gemotiveerd is ingegaan op de vraag of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiser. De minister heeft daarmee eveneens onvoldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser sprake is van zicht op uitzetting. Het beroep is gegrond.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 26 mei 2026.
11. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt
€ 2.440,- (1 dag verblijf politiecel x € 160,- en 19 dagen in een detentiecentrum x € 120,-).
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.