ECLI:NL:RBDHA:2026:137

ECLI:NL:RBDHA:2026:137, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL25.63545

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-01-2026
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer NL25.63545
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, voldoende voortvarend, zicht op uitzetting Marokko ontbreekt niet, geen verzwaarde belangenafweging omdat zesmaandentermijn nog niet is verstreken, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63545

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

Procesverloop

1. De minister heeft op 26 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 7 november 2025.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft op 31 december 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. Dat was op 4 november 2025.

Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?

3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Sinds de vorige uitspraak van de rechtbank is het uitzettingstraject niet verder gevorderd. Er is nog altijd geen laissez-passer (lp) afgegeven en eiser is nog niet aan de autoriteiten gepresenteerd. Daarnaast ontbreekt een concrete uitzettingsdatum. De minister heeft zich tot nu toe beperkt tot het versturen van rappels, zonder verdere acties te ondernemen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De minister heeft namelijk maandelijks een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De laatste keer was dit op 22 december 2025. Verder rappelleert de minister maandelijks bij de Marokkaanse autoriteiten, waarvan de laatste keer op 17 december 2025 was. Deze twee acties zijn voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Het betoog van eiser dat er nog geen lp en geen presentatie heeft plaatsgevonden, alsmede dat er nog geen concrete uitzettingsdatum bekend is en de minister meer acties had moeten ondernemen dan enkel rappelleren leidt daarom niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister voor het vaststellen van de uitzettingsdatum (mede) afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. De minister mag de tijd gegund worden om de overdracht te regelen.

Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko?

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is naar Marokko. Het uitblijven van een reactie op de lp-aanvraag en het ontbreken van aanvullende stappen maken dat het zicht op uitzetting inmiddels te onzeker en speculatief is geworden.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat eiser zelf geen inspanningen verricht om de lp-afgifte en daarmee zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Zo heeft eiser verklaard dat hij geen actie zal ondernemen in zijn terugkeer naar Marokko en dat hij zijn toekomst ziet in Nederland en niet in Marokko. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet.

Belangenafweging

5. Eiser betoogt vervolgens dat naarmate de bewaring langer duurt, de minister een zwaardere motiveringsplicht heeft. Uit het recente voortgangsrapport (de M120) blijkt niet dat de minister hieraan heeft voldaan. De belangenafweging is te algemeen van aard en onvoldoende afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van eiser. Daarmee voldoet de minister niet aan de eisen van artikel 5 van het EVRM en artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring is opgelegd op 26 oktober 2025, wat betekent dat eiser iets meer dan twee maanden in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak weegt in de eerste zes maanden van de bewaring doorgaans het belang van de minister om de bewaring voort te zetten zwaarder dan het belang van de vreemdeling op vrijlating. Toch kunnen bijzondere omstandigheden maken dat het belang van de vreemdeling, ook binnen die zes maanden, zwaarder weegt dan dat van de minister. In het geval van eiser zijn de rechtbank dergelijke omstandigheden niet gebleken. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat in de voortgangsrapportage bij punt 10a standaard wordt vermeld dat bij overschrijding van de zes maanden een zwaardere belangenafweging geldt en dat de minister overweegt de bewaring voort te laten duren. Dit is op dit moment niet van toepassing op eiser.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Duifhuizen

Griffier

  • mr. S.M. Hampsink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?