RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13641
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt geeft gesteld dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Uit EU-Vis blijkt dat aan eiser door de Bulgaarse autoriteiten een visum is verstrekt. Dit visum was ten tijde van eisers asielaanvraag in Nederland nog niet langer dan zes maanden verlopen. Daarnaast hebben de Bulgaarse autoriteiten het overnameverzoek aanvaard.
2. Eiser heeft aangevoerd dat hij nooit in Bulgarije is geweest, dat het visum uitsluitend diende om Turkije te verlaten en dat sprake was van een vals visum. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft mogen afgaan op de informatie uit EU-Vis en de aanvaarding van het overnameverzoek door de Bulgaarse autoriteiten. Dat eiser ter zitting heeft gesteld dat in een strafzaak zou zijn geoordeeld dat sprake was van een vals paspoort, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat hierover geen stukken zijn overgelegd, volgt hieruit niet dat het door Bulgarije verstrekte visum ongeldig was of dat Bulgarije ten onrechte verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft daarom Bulgarije terecht verantwoordelijk geacht voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
3. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2026. Bulgarije is, evenals Nederland, partij bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en gebonden aan de Europese richtlijnen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Niet is gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in Bulgarije. Eiser is feitelijk niet in Bulgarije geweest en heeft daarom niet uit eigen ervaringen kunnen verklaren over de behandeling van Turkse asielzoekers of Dublinclaimanten in Bulgarije. Ook uit algemene informatie volgt niet dat Bulgarije Turkse vreemdelingen zonder beoordeling van hun asielaanvraag terugstuurt naar Turkije. Daarbij geldt dat eiser, indien zijn asielaanvraag in Bulgarije wordt afgewezen, daartegen rechtsmiddelen kan aanwenden bij de Bulgaarse autoriteiten en rechterlijke instanties. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij overdracht aan Bulgarije het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, bestaat geen ruimte voor toetsing aan het refoulementverbod.
4. Verweerder heeft in de door eiser gestelde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Eiser heeft, anders dan de door hem gestelde vrees dat de Bulgaarse autoriteiten hem terug zullen sturen naar Turkije, geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd waarvan overdracht aan Bulgarije van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.