RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53704
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd op de asielaanvraag van eiser zou hebben beslist. In de uitspraak van 11 september 2025 is geoordeeld dat de minister uiterlijk vier weken na de uitspraak een besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser. Nu de minister niet binnen vier weken een besluit heeft genomen, heeft eiser opnieuw beroep ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Procesverloop
2. Eiser heeft 13 september 2023 asiel aangevraagd. Op 14 december 2024 is het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het BVM is per 14 juni 2025 beëindigd. Gedurende dit BVM kon de minister geen beslissing nemen op asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië.
3. Eiser heeft op 10 mei 2025 een ingebrekestelling ingediend. Vervolgens is er op 12 juni 2025 een beroep niet tijdig ingediend. In de uitspraak van 11 september 2025 is het beroep van eiser gegrond verklaard en is er door de rechtbank aan de minister een beslistermijn opgelegd van vier weken. Daarbij is een dwangsom opgelegd van € 100,- voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;. Deze uitspraak is in rechte komen vast te staan.
4. Eiser heeft op 12 juni 2025 ook een ingebrekestelling ingediend. Vervolgens is op 3 juli 2025 een beroep niet tijdig ingediend. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 oktober 2025 dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling gedurende het BVM is ingediend en de minister in die periode geen besluit kon nemen.
Is het beroep gegrond en ontvankelijk?
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep van 12 juni 2025 in de uitspraak van 11 september 2025 ten onrechte gegrond is verklaard. Het beroep had op dat moment op grond van de geldende bepalingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien de ingebrekestelling tijdens het BVM was ingediend en de minister in die periode geen besluit kon nemen.
6. Het voorgaande betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.