mRECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52368
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2003 en dat hij de Eritrese nationaliteit heeft. Eiser stelt dat hij de zoon is van referent, [referent] .
4. Referent heeft eerder ook een aanvraag voor een mvv voor eiser ingediend, namelijk op 2 maart 2020. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 oktober 2020 afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft verweerder met het besluit van 10 juni 2021 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat beroep met de uitspraak van 7 december 2021 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen geen hoger beroep aangetekend. De afwijzing van de aanvraag van 2 maart 2020 staat daarmee in rechte vast.
5. Referent heeft op 7 juni 2023 een nieuwe aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
8. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
9. Artikel 8 van het EVRM beschermt een ieders recht op respect van zijn familie- en gezinsleven.
10. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Ook is er volgens verweerder geen sprake van een familieleven tussen referent en eiser dat op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden beschermd. Eiser heeft namelijk nooit bij referent gewoond en referent is niet betrokken geweest bij de opvoeding van eiser.
Identiteit en familierechtelijke relatie
11. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte in behandeling heeft genomen als een aanvraag van een meerderjarige. Eiser wijst erop dat hij ten tijde van zijn eerste aanvraag minderjarig was, dat hij toen al te kennen heeft gegeven dat hij zich met referent wilde herenigen en dat verweerder zijn aanvraag om die reden in behandeling had moeten nemen als ware hij minderjarig. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat op de eerdere aanvraag van 2 maart 2020 onherroepelijk is beslist en heeft de indieningsdatum van de huidige aanvraag terecht als peildatum gehanteerd. Eiser was 19 jaar toen hij de nieuwe aanvraag indiende. Verweerder is in zijn beoordeling terecht uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser.
12. Vaststaat dat er geen paspoort van eiser is overgelegd. Eiser stelt dat hij daarover niet beschikt en dat het voor hem ook niet mogelijk is om een paspoort te verkrijgen. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser niet voldoet aan het paspoortvereiste als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft dit aan eiser kunnen tegenwerpen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat hij inziet dat het verkrijgen van een paspoort in Eritrea lastig is, maar dat eiser niet heeft onderbouwd welke inspanningen hij heeft verricht om een paspoort te verkrijgen. Eiser stelt in beroep dat verweerder het niet voldoen aan het paspoortvereiste in andere Eritrese zaken ook niet heeft tegengeworpen, maar heeft dat standpunt niet concreet gemaakt of onderbouwd.
13. Verweerder heeft aan de hand van de wel beschikbare documenten beoordeeld of toch kan worden uitgegaan van de door eiser gestelde identiteit: kopieën van een geboorteakte, een doopakte en een schoolpas (tasseira). Bureau Documenten heeft deze documenten op echtheid onderzocht. Bureau Documenten geconcludeerd dat de geboorteakte hoogstwaarschijnlijk niet echt is en dat de doopakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Over de schoolpas heeft Bureau Documenten vastgesteld dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Bureau Documenten heeft geadviseerd om het origineel van het document voor onderzoek aan te bieden, en heeft daarbij aangegeven dat onderzoek van het originele document kan leiden tot een ander oordeel. Eiser heeft het origineel van de schoolpas niet aangeboden, zo is ter zitting ook bevestigd. Verweerder heeft het onderzoek en de conclusies van Bureau Documenten als contra-indicatie kunnen meewegen in de integrale beoordeling van alle documenten. Verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022.
14. Verweerder heeft gelet op het voorgaande kunnen concluderen dat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt en is op grond daarvan terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verstrekken van een mvv.
15. Eiser stelt dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen om zijn familierechtelijke relatie met referent alsnog aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door het aanbieden van DNA-onderzoek. Verweerder heeft van het aanbieden van DNA-onderzoek en/of een identificerend gehoor afgezien, omdat de uitslag daarvan niet tot het verstrekken van een mvv zou leiden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat, ook als zou blijken dat referent de biologische vader is van eiser, dat niet zou leiden tot het verstrekken van een mvv omdat er volgens verweerder tussen eiser en referent geen sprake is van een familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Op de vraag of er tussen eiser en referent sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven, zal de rechtbank hierna ingaan.
Familie- of gezinsleven
16. Verweerder heeft eiser vanwege zijn leeftijd beschouwd als jongvolwassene. Verweerder heeft in paragraaf B7/3.8.1. van de Vc neergelegd onder welke voorwaarden bij jongvolwassenen zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid wordt aangenomen dat sprake is van beschermenswaardig gezinsleven met zijn ouders in de zin van artikel 8 van het EVRM. Op grond van het jongvolwassenenbeleid wordt gezinsleven aangenomen indien het meerderjarige kind jongvolwassen is, met zijn ouders in gezinsband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, beoordeelt verweerder of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen.
17. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser altijd bij zijn moeder heeft gewoond en dat hij nooit met referent in gezinsband heeft samengeleefd. Verweerder heeft dus terecht overwogen dat eiser niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet en heeft terecht als beoordelingsmaatstaf genomen of er tussen eiser en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.
18. Eiser stelt dat er tussen hem en referent sprake is van meer dan normale emotionele banden. Het feit dat referent al jaren probeert om eiser naar Nederland te halen, zegt volgens eiser al genoeg. Hij voert ook aan dat hij en referent qua gezondheid afhankelijk zijn van elkaar. Zij missen elkaar. Ook stelt eiser dat hij in financieel opzicht afhankelijk is van referent. Referent stuurt hem maandelijks geld en dat had in zijn voordeel moeten worden meegewogen. Eiser ontkent tot slot niet dat hij sterke banden heeft met Eritrea. Zijn banden met Nederland zijn echter sterker. Dat blijkt volgens hem uit het feit dat hij bereid is om alles in Eritrea achter te laten om zich bij referent in Nederland te vestigen.
19. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat een meer dan normale afhankelijkheid tussen eiser en referent niet is aangetoond en dat dus niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Om die reden is geen sprake van een door artikel 8 van het EVRM beschermd familie- of gezinsleven. Verweerder heeft het feit dat er nooit sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met referent zwaar in het nadeel van eiser mogen wegen. Stellingen dat referent eiser financieel ondersteunt en dat eiser en referent in emotioneel opzicht afhankelijk zijn van elkaar, zijn niet onderbouwd. Er is geen bewijs van betalingen overgelegd. Verweerder heeft ook niet ten onrechte aangenomen dat eiser geen banden heeft met Nederland en dat hij wel zeer sterke banden heeft met Eritrea, aangezien hij daar is geboren en getogen, hij de taal spreekt en de gebruiken en gewoonten kent. Dat eiser bereid is om naar Nederland te verhuizen, maakt niet dat hij een band heeft met Nederland.
Conclusie en gevolgen
20. Nu verweerder terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familie- of gezinsleven, was verweerder niet gehouden om een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken.
21. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.