RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Iraakse nationaliteit,V-nummer: [v-nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48723
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van
22 september 2025 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op 4 mei 2026 en 12 mei 2026 verweerschriften ingediend. Eiser heeft op 7 mei 2026 en 13 mei 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026, samen met de zaak met zaaknummer NL25.48726, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het besluitvorming
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Irak geen goed leven kan leiden, omdat hij jezidi is. Nadat IS zijn dorp had aangevallen in 2014 is eiser naar het vluchtelingenkamp Khanké in Duhok gevlucht. Daar was het leven zwaar en heeft hij gewoond tot aan zijn vertrek in 2022. Eiser kan ook niet terug naar Sinjar, want ook daar is het niet veilig en het is platgebombardeerd. Eiser vreest voor alle gewapende groeperingen en de moslims. De moslims zijn namelijk tegen de jezidi. Als jezidi wordt eiser gediscrimineerd. Zo wordt hij bijvoorbeeld afgewezen voor een baan wanneer hij solliciteert.
4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - problemen vanwege het behoren tot de jezidi gemeenschap.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft de minister in het midden gelaten. De minister beoordeelt dit asielmotief alleen op zwaarwegendheid.
De minister acht de asielmotieven van eiser onvoldoende zwaarwegend. De minister wijst allereerst op de beleidswijziging met betrekking tot landgebonden beleid voor Irak. Hierin is overwogen dat uit het meest recente AAB Irak 2023 niet meer blijkt dat jezidi’s omwille van hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer zodanig ernstig gediscrimineerd wordt dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser heeft verklaard eerder toegang te hebben gehad tot onderwijs, werk en medische zorg. Ook heeft eiser verklaard dat er in Sinjar winkels zijn waar mensen eten en drinken kunnen kopen en waarmee zijn familie zich kan redden. Ook in het kamp Khanké konden eiser en zijn moeder rondkomen van het salaris van eiser en voldoende eten en drinken kopen. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar het ontheemdenkamp Khanké in de provincie Duhok in de Koerdische Autonome Regio (KAR). Het ontheemdenkamp kan volgens de minister gelden als normale woon- en verblijfplaats. Volgens de minister is het daarom niet aannemelijk dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook het feit dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat zijn aanvraag ook in Nederland moet worden ingewilligd. De minister heeft dan ook geconcludeerd tot afwijzing van de asielaanvraag.Mocht de minister het ontheemdenkamp aanmerken als normale woon- of verblijfplaats?
5. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij kan terugkeren naar het ontheemdenkamp in de KAR. In het kamp is sprake van zeer inhumane omstandigheden en de veiligheidssituatie is zeer fragiel. Toegang tot werk, scholing en gezondheidszorg is er amper. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende onderzocht waarom de erbarmelijke omstandigheden in het ontheemdenkamp niet zodanig zijn dat sprake is of kan zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van VWN van 18 november 2025 overgelegd.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontheemdenkamp in de KAR kan worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de regio Sinjar. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar haar uitspraken van onder meer 4 februari 2025, 8 juli 2025, 18 augustus 2025 en 24 november 2025 en maakt de rechtsoverwegingen 11.2 tot en met 11.7 in de uitspraak van 24 november 2025 in deze uitspraak tot de hare. Heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit kunnen opleggen?
6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat hij moet terugkeren naar Irak aangezien hij over een verblijfsvergunning in Griekenland beschikt. Onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus intrekken. Zolang daarvan niet is gebleken is er nog sprake van internationale bescherming in Griekenland en kan er dus ook geen terugkeerbesluit worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de minister de Griekse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure en dat ook niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eiser hebben ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Het terugkeerbesluit is derhalve ten onrechte aan eiser opgelegd. Dit betekent dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. Het bestreden besluit komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag ten onrechte afgewezen. Al om deze reden heeft de minister geen terugkeerbesluit aan eiser mogen opleggen. De minister heeft het ontheemdenkamp Khanké niet mogen aanmerken als normale woon- en verblijfplaats en heeft onvoldoende gemotiveerd dat van eiser verlangd kan worden om hiernaar terug te keren. Ook heeft de minister ten onrechte nagelaten de uitkomst van zijn beoordeling over de asielaanvraag van eiser te delen met de Griekse autoriteiten en af te wachten of dit voor de Griekse autoriteiten aanleiding vormt om de verleende asielstatus in te trekken. De beroepsgrond over de situatie in Sinjar laat de rechtbank daarom onbesproken.
8. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen zes weken opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen. Hierbij dient de minister rekening te houden met wat in deze uitspraak is overwogen.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.