ECLI:NL:RBDHA:2026:13742

ECLI:NL:RBDHA:2026:13742

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer AWB 26-4023
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asiel. Dublin Duitsland. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Medische omstandigheden. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/4023

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer [V-nummer] ,

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag.

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 1999 en dat hij de Turkse nationaliteit heeft. Op 27 december 2025 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

4. Verweerder heeft vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de beoordeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gebleken is namelijk dat eiser eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Op 22 januari 2026 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Vervolgens heeft verweerder op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen en om eiser over te dragen aan Duitsland.

5. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld. Hij voert aan dat hij in Duitsland onjuist is behandeld omdat zijn dossier niet inhoudelijk is getoetst en de Duitse autoriteiten geweigerd hebben zijn telefoon te onderzoeken. Daarnaast voert hij aan dat hij in Duitsland in de onmogelijkheid was om bewijs te verzamelen om zijn standpunt te onderbouwen. Zijn gewichtsverlies moet worden gezien als bewijs voor zijn opgelopen trauma. Ten derde voert eiser aan dat hij beschikt over nieuw bewijs voor zijn eerder ingenomen standpunt en heeft hij alsnog de documenten en camerabeelden overgelegd die eerder niet door zijn advocaat zijn ingediend. Ten vierde voert eiser aan dat er medische trajecten lopen, waaronder onderzoeken bij de GezondheidZorg Asielzoekers (GZA) die er aan in de weg staan dat hij aan Duitsland wordt overgedragen. Eiser overlegt ter onderbouwing van deze gronden (onvertaalde) documenten, foto’s en videobeelden bij e-mails van 13 maart, 23 maart, 26 maart en 27 maart 2026. Hij verwijst daarbij naar het bestreden besluit, waarin verweerder het standpunt zou hebben ingenomen dat er ‘onvoldoende bewijs’ zou zijn voor hetgeen eiser eerder in zijn zienswijze heeft aangevoerd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijke vertrouwensbeginsel genoemd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.

Als niet is gebleken van systematische tekortkomingen wordt geen onderzoek gedaan naar een eerdere beoordeling van een asielaanvraag in een andere lidstaat, zoals in dit geval Duitsland.

7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Het enkele feit dat eiser vindt dat zijn aanvraag in Duitsland niet goed is beoordeeld, is hiervoor onvoldoende. Hierover moet eiser in Duitsland klagen bij de Duitse rechter. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De rechtbank zal daarom ook niet ingaan op het door eiser aangedragen bewijs voor zijn problemen in zijn land van herkomst.

8. Verder heeft verweerder in de overige door eiser gestelde (medische) omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Verweerder heeft daarbij kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland onevenredig moet worden geacht. Duitsland is immers net als Nederland gebonden aan de Opvangrichtlijn, waarin is vastgesteld dat asielzoekers in aanmerking komen voor medisch noodzakelijke zorg. Eiser stelt dat hij zich midden in een medisch behandeltraject bevindt waarvoor hij medicatie en psychologische ondersteuning krijgt. Hoewel hij stelt dat de officiële diagnose in Nederland is gesteld en zijn zorgtraject hier met veel zorg is opgestart, volgt hieruit niet dat hij voor medische behandeling aan Nederland is gebonden, dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Uit de overgelegde medische documenten blijkt niet dat overdracht van eiser aan Duitsland leidt tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Verweerder mag eiser daarom overdragen aan Duitsland. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.S. van der Velde

Griffier

  • mr. A.S. Hamans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand