RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer [nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28593
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
(gemachtigde: mr. C.R. Vink).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 21 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 9 maart 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Deze afwijzing omvat mede een terugkeerbesluit waarin staat dat verzoeker moet terugkeren naar Bangladesh.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 maart 2026.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 21 mei 2026 verzocht om hangende dit beroep een voorlopige voorziening te treffen, omdat de minister voornemens is om op 26 mei 2026 voor verzoeker een aanvraag om een laissez-passer in te dienen bij de Bengaalse autoriteiten. De minister heeft op dit verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
3. Uit het dossier blijkt dat de minister voornemens is om op 26 mei 2026 een aanvraag om een laissez-passer voor verzoeker te versturen aan de Bengaalse autoriteiten, terwijl de behandeling van het beroep van verzoeker zal plaatsvinden op 5 juni 2026. Alleen al daarom heeft verzoeker een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.
4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de minister geen aanvraag om een laissez-passer mag indienen bij de Bengaalse autoriteiten (of andere uitzettingshandelingen mag verrichten) zolang nog geen uitspraak is gedaan op het beroep. Verzoeker wijst erop dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit niet intreden zolang de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het besluit van 9 maart 2026. Hoewel in die periode niet alle uitzettingshandelingen zijn verboden, moet de minister zich onthouden van uitzettingshandelingen die de effectiviteit van het ingediende rechtsmiddel aantasten. Daarvan is in het geval van verzoeker met het indienen van een aanvraag om een laissez-passer sprake. Deze aanvraag wordt immers ingediend bij de Bengaalse autoriteiten, terwijl verzoeker juist voor deze autoriteiten vreest. De indiening van de aanvraag leidt ertoe dat de persoonsgegevens van verzoeker bekend raken bij de Bengaalse autoriteiten en dat bekend raakt dat hij in Nederland verblijft en uitzetbaar is. Dat is een indicatie dat hij in Nederland asiel heeft gevraagd. Verzoeker loopt daardoor extra risico, omdat de Bengaalse autoriteiten een laissez-passer grondiger controleren dan een biometrisch paspoort en extra letten op identiteit, verblijfsstatus, eerdere visa, overstays en documentfraude. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat het indienen van een aanvraag om een laissez-passer in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uit de rechtspraak volgt dat het arrest Gnandi zich er niet tegen verzet dat de minister hangende een beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag handelingen verricht die zijn gericht op een terugkeer naar het land van herkomst, mits deze handelingen niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement. Het indienen van een aanvraag om een laissez-passer is daarom toegestaan, mits de vreemdeling hierover wordt geïnformeerd en de minister geen persoonsgegevens verstrekt die gerelateerd zijn aan de asielaanvraag of op een andere manier een schadelijke strekking hebben.
Uit het verslag van het vertrekgesprek van 23 maart 2026 en de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening blijkt dat verzoeker van tevoren is geïnformeerd over het voornemen om een aanvraag om een laissez-passer bij de Bengaalse autoriteiten in te dienen en dat het aanvraagformulier van tevoren aan verzoeker is verstrekt. De voorzieningenrechter leidt uit het verzoekschrift af dat verzoeker niet zo zeer stelt dat de persoonsgegevens die zijn vermeld op het aanvraagformulier gerelateerd zijn aan de asielaanvraag of een schadelijke strekking hebben, maar dat het feit dat de aanvraag om een laissez-passer wordt gedaan (al) leidt tot verhoogde belangstelling van de Bengaalse autoriteiten bij terugkeer. De minister stelt zich echter terecht op het standpunt dat verzoeker deze vrees niet heeft onderbouwd. De door eiser aangehaalde bronnen hebben immers geen betrekking op deze vrees. De internetpagina van de Bengaalse politie lijkt immers slechts een Bengaalse wet over paspoorten te zijn en het artikel van VisaVerge gaat over een waarschuwing van westerse autoriteiten over valse documenten aan Bengaalse aanvragers van een visum. Uit deze bronnen volgt niet dat het indienen van een aanvraag om een laissez-passer leidt tot verhoogde belangstelling van de Bengaalse autoriteiten bij terugkeer. De voorzieningenrechter ziet daarom niet in waarom het indienen van een aanvraag om een laissez-passer afbreuk doet aan de effectiviteit van het ingediende beroep tegen het besluit van 9 maart 2026.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister hoeft de proceskosten van verzoeker niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.