RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21674
(gemachtigde: mr. B. Anik),
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 24 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen en heeft hij zijn beslissing om dat niet te doen voldoende gemotiveerd?
4. Eiseres betoogt dat de minister haar asielaanvraag aan zich had moet trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Volgens eiseres heeft zij in haar gehoor en zienswijze concrete, individuele omstandigheden aangevoerd, maar heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij dat artikel niet heeft toegepast. Eiseres voert aan dat dit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
De rechtbank is van oordeel dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid. Eiseres is daarin niet geslaagd. De rechtbank stelt vast dat de enkele verwijzing naar haar gehoor en de zienswijze onvoldoende is ter onderbouwing van het beroep. De rechtbank is verder van oordeel dat minister in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, voldoende gemotiveerd is ingegaan op dat wat eiseres in de zienswijze aan individuele omstandigheden heeft aangevoerd. Omdat eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele verwijzing naar wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.