ECLI:NL:RBDHA:2026:13758

ECLI:NL:RBDHA:2026:13758

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer NL25.7909
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

beroep, asiel, Ethiopië, Tigray, geen registertolk, referentiekader, 15c, traumatabeleid, vrees voor ernstige schade bij terugkeer, motiveringsgebrek, gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.7909

geboren op [datum] ,

van Ethiopische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Szirmai),

en

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft op 19 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 18 april 2025, 20 juni 2025, 20 oktober 2025 en 1 maart 2026 heeft eiser gronden ingediend.

De minister heeft op 28 mei 2025, 13 augustus 2025 en op 5 maart 2026 verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de Tigray bevolkingsgroep. In 2020 heeft eiser geweigerd om mee te doen aan de gedwongen rekrutering door de TPLF. Naar aanleiding hiervan werd zijn winkel gesloten en is zijn vader gearresteerd. Na de Ethiopische invasie in Tigray van 3 december 2020 is eiser tweemaal opgepakt door het Ethiopische leger in Tigray. Dit was op 3 december 2020 en 18 december 2020. Eiser is mishandeld en hij werd gedwongen militairen te helpen met sjouwen en graven. Het Ethiopische leger heeft eisers moeder en zus gedood op 7 december 2020. Eisers verloofde is verkracht door Ethiopische militairen op 28 december 2020. In Addis Abeba is eiser vervolgens drie keer gearresteerd door de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn etniciteit. Dit was op 9 mei 2021, 19 juni/juli 2021 en 27 april 2022. Eiser moest in detentie en is daar mishandeld. Ook is eisers bankrekening bevroren door de autoriteiten. Bij terugkeer vreest eiser opnieuw gearresteerd te worden door de Ethiopische autoriteiten en daarnaast vreest hij om gedwongen naar het leger gestuurd te worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht de asielmotieven 1 en 4 geloofwaardig. De asielmotieven 2 en 3 acht de minister niet geloofwaardig. Dat eiser uit Ethiopië komt, is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ten aanzien van eisers problemen vanwege zijn etnische afkomst, overweegt de minister dat de positie van Tigreeërs sterk is verbeterd sinds de staakt-het-vuren-overeenkomst tussen de TPLF en de Ethiopische federale autoriteiten. De minister concludeert daarom dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser moet binnen vier weken Nederland en een aantal andere Europese landen verlaten.

Heeft de minister onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd gebruik gemaakt van de niet-registertolk?

5. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door bij het aanmeldgehoor gebruik te maken van een niet-registertolk. De minister heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het aanmeldgehoor niet op een ander moment kon plaatsvinden. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Wbtv. Eiser stelt dat nooit aan hem is gevraagd of gebruik mocht worden gemaakt van een niet-registertolk en dat ook niet begrijpelijk is hoe dit aan hem zou zijn gevraagd en hoe hij de betekenis daarvan had moeten begrijpen.

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er gebruik is gemaakt van een niet-registertolk. Uit artikel 28, derde lid, van de Wbtv volgt dat er gebruik gemaakt kan worden van een niet beëdigde tolk indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de betreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Uit artikel 28, vierde lid, van de Wbtv volgt dat, indien van het eerste of tweede lid wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk wordt vastgelegd. De Afdeling heeft overwogen dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv voor de motivering geen andere eis stelt dan dat de minister de reden voor het gebruikmaken van een niet-registertolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de stelling dat een registertolk niet op korte termijn beschikbaar was onvoldoende gemotiveerd heeft waarom er sprake was van de vereiste spoed en het aanmeldgehoor niet op een later moment had kunnen plaatsvinden, zodat sprake is van een gebrek. Dat eiser zou hebben aangegeven verder te willen gaan met het gehoor met een niet-registertolk, kan hieraan niet af doen. De rechtbank ziet echter aanleiding om voornoemd gebrek te passeren. Eiser heeft zowel in zijn beroepsgronden als op de zitting niet concreet kunnen maken dat, en op welke wijze, hij hierdoor in zijn belangen zou zijn geschaad. Bovendien heeft eiser aan het einde van het aanmeldgehoor verklaard dat hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan en dat hij erg tevreden was over de werkwijze van de tolk. Ook heeft eiser bij de correcties en aanvullingen niet aangegeven dat sprake was van communicatieproblemen of dat eiser over bepaalde dingen niet goed heeft kunnen verklaren. Dat volgens de gemachtigde van eiser veel correcties en aanvullingen nodig waren ten aanzien van jaartallen, leidt de rechtbank niet tot aan ander oordeel, omdat dit op zichzelf nog niets zegt over de kwaliteit en de inhoud van het gehoor.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?

7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Op grond van werkinstructie 2024/6 is de minister hiertoe wel gehouden. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 mei 2025.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser ten onrechte niet kenbaar uiteengezet heeft in de besluitvorming. De rechtbank overweegt dat het kenbaar betrekken van het referentiekader allereerst vereist dat de minister het referentiekader van de vreemdeling in de besluitvorming beschrijft. Verder behelst het kenbaar betrekken van het referentiekader dat de minister motiveert op welke wijze het beschreven referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen van de betreffende vreemdeling in zijn algemeenheid verlangd mag worden ter onderbouwing van zijn asielrelaas en op welke wijze de verschillende aspecten uit het referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Nu in het voornemen en het bestreden besluit geheel niet is opgenomen wat er van eiser, gelet op zijn referentiekader, mag worden verwacht is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt. De gemachtigde van de minister heeft op zitting alsnog voldoende gemotiveerd wat het referentiekader van eiser is en waarom van eiser mocht worden verwacht dat hij uitgebreider kon verklaren. De minister heeft in dit verband aangegeven dat -in tegenstelling tot de aanvrager in de uitspraak waarnaar eiser verwijst- eiser wel kan lezen en schrijven, op de universiteit heeft gezeten, drie talen spreekt en een eigen winkel heeft gehad. Van eiser mocht dan ook worden verwacht dat hij uitgebreider kon verklaren. De rechtbank overweegt verder dat eiser in beroep niet concreet heeft gemaakt welke aspecten van zijn referentiekader onvoldoende zijn betrokken en op welke wijze hij, door zijn referentiekader, minder heeft kunnen verklaren.

Heeft de minister de problemen na het ontwijken van de Tigreeër dienstplicht (asielmotief 2) ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

9. Eiser stelt dat de minister ondeugdelijk gemotiveerd heeft dat zijn problemen na het weigeren van de dienstplicht ongeloofwaardig zijn. Eiser meent dat hij deugdelijk heeft verklaard, maar tijdens het nader gehoor is door de hoorambtenaar expliciet gevraagd of eiser het kort wil houden bij het vertellen over zijn problemen over het bevriezen van zijn bankrekening en het sluiten van de winkel. Ook heeft de hoorambtenaar nadere vragen achterwege gelaten. Eiser stelt dat daarom niet aan hem mag worden tegengeworpen dat hij hierover uitgebreider had moeten verklaren. Eiser betwist verder dat hij vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de gedwongen rekrutering. Uit landeninformatie volgt dat gedwongen rekrutering voorkomt en dat het eveneens vaak voorkomt dat familieleden gevangengenomen worden als iemand weigert zich aan te sluiten.

10. De rechtbank stelt vast dat de minister gedurende de procedure een aantal van zijn tegenwerpingen met betrekking tot dit asielmotief heeft laten vallen. Niet is komen te vervallen dat eiser volgens de minister summier is in zijn verklaringen dat de overheid van Tigray hem het leven zuur maakt en in zijn verklaringen over de sluiting van de winkel. Verder heeft de minister gehandhaafd dat de verklaringen van eiser met betrekking tot de arrestatie van zijn vader tegenstrijdig en vaag zijn. Ten slotte valt het volgens de minister niet te rijmen dat eisers verloofde geen hulp van een onafhankelijke organisatie zoals het Rode kruis zou kunnen krijgen vanwege eisers dienstweigering en zijn vlucht. Nu de overige tegenwerpingen zijn komen te vervallen, behoeven de gronden die hiertegen gericht zijn geen verdere bespreking.

11. Ten aanzien van de sluiting van de winkel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser op (in ieder geval) drie momenten tijdens het nader gehoor (korte) verklaringen heeft afgelegd over de sluiting van zijn winkel. Het eerste moment was tijdens het vrije relaas over de reden van zijn asielaanvraag, het tweede moment was tijdens de vraag of eiser problemen heeft ondervonden vanwege de door hem verrichte werkzaamheden en het derde moment was naar aanleiding van de vraag of eiser kort iets kon vertellen over het bevriezen van zijn bankrekening en het sluiten van de winkel. De rechtbank stelt verder vast dat aan eiser tijdens het gehoor over de sluiting van zijn winkel enkel is gevraagd waar zijn kledingwinkel was en of hij kort iets kon vertellen over het bevriezen van de bankrekening en het sluiten van de winkel. Naar aanleiding van deze laatste vraag heeft eiser verklaard dat zijn winkel in Mekele is gesloten door de Tigray People Liberation Front, omdat hij niet heeft deelgenomen aan de militaire dienst. De minister heeft hier vervolgens niet op doorgevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen over de sluiting van de winkel. De rechtbank merkt hierbij op dat het in beginsel weliswaar aan eiser is om de relevante elementen van zijn asielrelaas naar voren te brengen, maar dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting gehouden is om eiser nader te bevragen, te meer wanneer eiser wordt tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard hierover. Dat eiser, zoals de minister in het verweerschrift van 28 mei 2025 stelt, in ieder geval drie maal in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de sluiting kan hieraan, gelet op het voorgaande, dan ook niet af doen. De rechtbank acht hierbij verder van belang dat het sluiten van de winkel één van de problemen is die eiser zou hebben ondervonden als gevolg van het ontwijken van de Tigreeër dienstplicht. Ook als de problemen die de vader en verloofde van eiser zouden hebben ondervonden niet geloofwaardig worden geacht, kan de vraag of eiser zelf problemen heeft ondervonden, door de sluiting van zijn winkel, nog steeds van belang zijn bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief. Dit probleem wordt door eiser immers naast de overige problemen genoemd als gevolg van het ontwijken van de dienstplicht.

Heeft de minister de problemen na de Ethiopische inval in Tigray (asielmotief 3) ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

12. Eiser stelt dat zijn problemen na de Ethiopische inval van Tigray van 2 december 2020 moeten worden geplaatst in de context van de situatie in Tigray eind 2020. Volgens de Wikipedia-pagina Hagere Selam massacres vonden er massamoorden plaats in Hagere Selam op 4 en 5 december 2020, dat volgens eiser ongeveer 7 kilometer van Lim’at ligt. Deze informatie is gebaseerd op een artikel dat is geschreven door een professor aan de universiteit van Gent, waarin deze data ook worden genoemd. De inname van het gebied komt ook aan de orde in een rapport van het Noorse Landinfo. Eiser wijst erop dat hij heeft verklaard dat zijn moeder en zusje om het leven zijn gebracht op 7 en 8 december 2020, hetgeen overeenkomt met bovenstaande informatie. Eiser stelt verder dat eiser aannemelijk heeft verklaard dat hij als Tigreeër in Tigray naar de Ethiopische verdedigingslinie werd gebracht en dat hij moest helpen. Volgens eiser is geen sprake van een tegenstrijdigheid op dit punt en heeft eiser ook niet vaag en onsamenhangend verklaard. Eiser moest onder dwang helpen sjouwen, munitie doorgeven en linies graven. Hem werd geen wapen en training gegeven. Hij werd bovendien bewaakt door Ethiopische militairen met wapens. Tijdens de werkzaamheden liep eiser op blote voeten en moest hij zich uitkleden. Eiser raakte verzwakt door de zware omstandigheden waaronder hij moest helpen. Volgens eiser wordt ten onrechte tegengeworpen dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het gedwongen en onder bewaking uitvoeren van die werkzaamheden en het feit dat de Ethiopische militairen Tigreeërs niet vertrouwen. Gedwongen arbeid was gebruikelijk en de werkzaamheden die eiser moest verrichten vereisten geen training of vertrouwen. Eiser stelt tot slot dat ten onrechte wordt tegengeworpen dat zijn verklaringen over het ontsnappen bij de verdedigingslinie summier zijn. Ook op dit punt is tijdens het nader gehoor niet doorgevraagd. Eiser heeft in de zienswijze toegelicht dat hij heeft kunnen ontsnappen doordat de Ethiopische soldaten werden aangevallen door Tigrayse strijdkrachten. Op dat moment waren de Ethiopische soldaten bezig om zichzelf in veiligheid te brengen en dat gaf eiser de gelegenheid om te vluchten.

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat de verklaringen van eiser over de problemen naar aanleiding van de Ethiopische inval op 2 december 2020 niet samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft de verklaringen van eiser met betrekking tot de dood van zijn moeder en zus vaag en onaannemelijk kunnen achten. In dit verband heeft de minister onaannemelijk kunnen vinden dat eisers moeder tijdens de inval stond te koken en dit eerst wilde afmaken, terwijl overal in Lim’at werd geschoten. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat eisers verklaring dat er in het begin enkel met artillerie is geschoten en dat de Ethiopische militairen zich op een paar uur afstand bevonden tegenstrijdig is met de verklaring van eiser dat overal in Lim’at werd geschoten. De minister heeft in de door eiser overgelegde informatie geen aanleiding voor een andere conclusie hoeven zien, nu de inval in Tigray niet wordt betwist en de informatie niet ziet op de situatie van eiser. De minister heeft het verder onaannemelijk kunnen vinden dat eiser als Tigreeër door Ethiopische militairen naar de Ethiopische verdedigingslinie is gebracht en dat eiser als Tigreeër tussen de Ethiopische militairen kon lopen. De minister heeft er in dit verband op kunnen wijzen dat eiser zelf heeft verklaard dat de Ethiopische autoriteiten hem als Tigreeër niet vertrouwen omdat zij zeker weten dat eiser hen zou verraden. De stelling van eiser dat hij bewaakt werd en geen training heeft gehad, maakt dit niet anders nu eiser, zoals de minister stelt, ook zonder training de boel zou kunnen saboteren. De minister heeft tot slot kunnen overwegen dat eiser summier heeft verklaard over zijn ontsnapping. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor is gevraagd hoe hij heeft kunnen ontsnappen. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens een tegenaanval van de Tigray militairen is ontsnapt, dat de militairen zich gingen verschuilen en dat eiser de kans zag om te vluchten. Eiser is hierop weliswaar niet nader bevraagd, maar de rechtbank stelt vast dat de minister op verschillende momenten tijdens het gehoor heeft doorgevraagd op de inzet van eiser in zijn geheel bij de verdedigingslinie. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in de zienswijze aanvullend heeft verklaard over de ontsnapping. In dit kader heeft eiser verklaard dat de militairen werden aangevallen en bezig waren zichzelf in veiligheid te brengen, waardoor eiser kon vluchten. De minister heeft deze aanvullende verklaring vervolgens meegenomen in de beoordeling en heeft hier in het bestreden besluit afdoende op gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat dit een herhaling is van de eerdere verklaring in het nader gehoor en dat de verklaringen summier blijven.

Huidige situatie Tigray en de vraag of sprake is van een 15c situatie?

14. Eiser stelt -onder verwijzing naar de door hem in beroep overgelegde recente landeninformatie- bij terugkeer naar Lim’at te vrezen voor ernstige schade als gevolg van een binnenlands gewapend conflict. Eiser doet daarmee een beroep op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser stelt onder meer dat er sinds de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025gevechten en drone-aanvallen zijn geweest en dat de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Eiser verwijst hiervoor naar verschillende nieuwsbronnen en landeninformatie. Verder stelt eiser dat er reden is om de antwoorden op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen die zien op artikel 15c en de humanitaire situatie in Syrië af te wachten, omdat die antwoorden ook van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de vraag of in Tigray sprake is van een 15c situatie.

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Tigray, en in het bijzonder Lim’at, geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft in dit verband kunnen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 17 december 2025, waarin is geoordeeld dat er geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de gebieden in Tigray die onder beheer staan van de TIRA Door eiser is niet betwist dat Lim’at onder beheer staat van de TIRA. In de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2026 en 11 februari 2026 heeft de Afdeling het oordeel dat in Tigray geen sprake is van een 15c situatie nogmaals bevestigd. Daarnaast zijn de (slechte) humanitaire omstandigheden en voedseltekorten in Tigray volgens de Afdeling niet het directe of het indirecte gevolg van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict. Oorzaken zijn met name weersomstandigheden, insectenplagen en de economische situatie. Tigray is volgens de Afdeling bovendien toegankelijk voor humanitaire hulpverlening. De rechtbank ziet -mede gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling- dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel, dan wel om de beantwoording van de hiervoor genoemde prejudiciële vragen af te wachten.

Heeft de minister ten onrechte het traumatabeleid niet bij het besluit betrokken?

16. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het traumatabeleid in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc en artikel 31, vijfde lid, van de Vw niet bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft immers eisers problemen vanwege zijn etnische herkomst geloofwaardig bevonden. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister daaronder verstaat het bevriezen van eisers bankrekening, de detenties vanwege zijn etnische herkomst en ook de slechte situatie in de gevangenis en de mishandelingen en martelingen die daar hebben plaatsgevonden. De voorwaarden van het traumatabeleid zijn (in het kort) dat er sprake is van een bepaalde traumatische gebeurtenis in het land van herkomst, dat die traumatische gebeurtenis is veroorzaakt door bepaalde daders en dat deze daders ongestraft blijven en dat er een causaal verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst. In eisers geval is sprake geweest van substantiële niet-strafrechtelijke detenties en marteling/ernstige mishandeling. Er vindt ook geen vervolging plaats van de daders en eiser is binnen een half jaar na de laatste detentie uit Ethiopië vertrokken. Eiser wijst daarbij op informatie van Amnesty International en Freedom House, waarin staat dat er sprake is van een ‘cultuur van straffeloosheid’ en ‘wijdverspreide straffeloosheid voor veiligheidsgroepen’. In het meest recente ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 staat ook dat het gebrek aan actieve rekenschap door de autoriteiten bijdroeg aan het gevoel van straffeloosheid met betrekking tot mensenrechtenschendingen door veiligheidstroepen.

17. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat hij medische klachten heeft. Uit het rapport van MediFirst zou evenmin blijken dat sprake is van medische klachten. In het verweerschrift van 5 maart 2026 is aanvullend, onder verwijzing naar het bestreden besluit, overwogen dat een beroep op het traumatabeleid faalt vanwege het ontbreken van psychologische problematiek als gevolg van de wandaden op grond waarvan eiser niet meer kan terugkeren naar zijn land van herkomst.

18. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek omdat de daarin opgenomen motivering, te weten dat eiser zijn psychische problematiek niet heeft onderbouwd met stukken, geen stand kan houden. De rechtbank overweegt hierbij dat de gemachtigde van de minister op zitting heeft aangegeven dat de psychische problematiek van eiser, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit is aangevoerd, niet met stukken onderbouwd hoeft te worden, zodat het eerder ingenomen standpunt in het bestreden besluit geen stand kan houden. Ook het standpunt van de minister zoals opgenomen in het verweerschrift van 28 mei 2025, namelijk dat geen sprake zou zijn psychologische problematiek als gevolg van de wandaden, kan de rechtbank, gelet op het voorgaande niet volgen. Eiser heeft in de zienswijze namelijk aangegeven dat hij psychische klachten heeft als gevolg van de mishandelingen die hij gedurende de detenties heeft moeten ondergaan. Hij noemt in dit verband zaken als weinig eetlust, moeite met slapen, terugkerende gedachten of herinneringen aan pijnlijke of angstwekkende gebeurtenissen, terugkerende nachtmerries, zich geregeld bang voelen en moeite hebben met concentreren. Nu eiser in de zienswijze duidelijk een verband heeft gelegd tussen deze klachten en wat hem in detentie is overkomen, kan de minister niet volstaan met de enkele stelling dat geen sprake is van psychische klachten als gevolg van wandaden. Temeer omdat de gemachtigde van de minister ter zitting heeft gesteld dat het juist is dat de psychische klachten niet met medische stukken hoeven te worden onderbouwd. Gelet op het voorgaande, komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

19. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift van 28 mei 2025 allereerst heeft overwogen dat er geen causaal verband bestaat tussen de detenties en de aanleiding voor eiser om het land van herkomst te verlaten, omdat eiser heeft verklaard dat de directe aanleiding voor zijn vertrek de dood van zijn moeder en zus was op 7 en 8 december 2020. Eiser heeft het land van herkomst pas op 16 augustus 2022 verlaten. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat het causale verband tussen eisers vertrek en de detenties ontbreekt. Eiser heeft immers in het nader gehoor niet enkel verklaard dat de directe aanleiding voor vertrek de dood van zijn moeder en zus was, maar eiser heeft in dit kader ook verklaard dat alle problemen aanleiding voor zijn vertrek zijn geweest. Nu eiser eveneens heeft verklaard over zijn detenties, de detenties geloofwaardig zijn bevonden en eiser binnen zes maanden na zijn laatste detentie uit Ethiopië is vertrokken, wordt conform het beleid het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst aangenomen, zodat het standpunt dat het causaal verband ontbreekt geen stand kan houden.

20. De rechtbank stelt verder vast dat de minister zich in het verweerschrift van 28 mei 2025 ook op het standpunt heeft gesteld dat de positie van Tigreeërs sterk is verbeterd door de staak-het-vurenovereenkomst tussen TLPF en de Ethiopische federale autoriteiten en dat de negatieve aandacht van de autoriteiten ten opzichte van de Tigreeërs radicaal en abrupt is verschoven. Er is daarom sprake van een duidelijke verbetering van de leefomstandigheden voor Tigreeërs in Addis Abeba. De minister heeft hiervoor verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van 2024. De minister heeft op zitting verder toegelicht dat er bij de beoordeling van de vraag of eiser blootgesteld zal worden aan ernstige schade niet wordt uitgegaan van een vestigingsalternatief, zodat beter overwogen had kunnen worden dat de situatie in de regio is verbeterd en niet enkel in Addis Abeba. Wel is het zo dat eiser via Addis Abeba zal moeten terugkeren naar Lim’at. De rechtbank is van oordeel dat de minister alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet zal worden blootgesteld aan ernstige schade vanwege de eerdere detenties als gevolg van het feit dat hij Tigreeër is. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat uit openbare informatie blijkt dat de leefsituatie voor Tigreeërs in Tigray sterk is verbeterd en dat de negatieve aandacht van de autoriteiten op Tigreeërs eveneens is verminderd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat uit openbare bronnen volgt dat sprake is van een gebrek aan actieve rekenschap, leidt, gelet op het voorgaande, evenmin tot een ander oordeel.

Eisers individuele omstandigheden en de vrees voor ernstige schade

21. Eiser voert aan dat de minister zijn persoonlijke omstandigheden ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser is allereerst een jonge man. Uit nieuwsartikelen volgt dat met name jonge mannen een groter risico lopen om gearresteerd te worden. Daarnaast zijn er recentelijk berichten van gedwongen rekrutering, ook al is gedwongen rekrutering officieel niet toegestaan in Ethiopië. Eiser heeft verder de Tigrayse etniciteit en beschikt niet over een paspoort en een geldig legitimatiebewijs, wat maakt dat hij bij terugkeer kwetsbaar is voor arrestaties en afpersing. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar verschillende bronnen. Dat eiser een universitaire opleiding heeft gevolgd maakt hem extra kwetsbaar, nu de overheid mensen die gestudeerd hebben ziet als een bedreiging. Eiser verwijst hiervoor naar paragraaf C7/14.3.2 van de Vc 2000. Eisers neef zit zelf in de gevangenis en kan eiser niet meer helpen. Het gebrek aan een support netwerk levert een verhoogd risico op detentie op. Eiser voert verder aan dat hij Ethiopië illegaal is uitgereisd en verschillende activistische activiteiten ondernomen in Nederland. Zo heeft hij op 30 juni 2024 deelgenomen aan een demonstratie tegen het geweld tegen vrouwen in Tigray op de Dam. Een videopname hiervan is op YouTube geplaatst en eiser staat op een foto die op de website van Tegaru Nederland geplaatst. Verder heeft eiser deelgenomen aan een memorial, ter ere van mensen die zijn omgekomen tijdens de oorlog. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een foto overgelegd. Eiser wijst verder op verschillende Facebookposts waarin hij kritische uitlatingen heeft gedaan tegen de federale overheid. Eiser wijst erop dat uit landeninformatie volgt dat activiteiten in het buitenland door de Ethiopische autoriteiten worden gemonitord.

22. Op zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Tigray aanzienlijk is verbeterd voor Tigreeërs vanwege de staak-het-vuren-overeenkomst. De minister volgt eiser niet in het standpunt dat hij bij terugkeer het risico loopt op arrestaties en afpersing. Eiser heeft in Addis Abeba een originele geboorteakte gehad en is daarnaast in detentie geplaatst vanwege zijn etniciteit en niet vanwege het niet hebben van een identiteitskaart. De politieke activiteiten leiden volgens de minister evenmin tot een ander oordeel. De Facebookposts zijn niet te herleiden tot eiser en de foto bij de memorial evenmin. Het is onduidelijk hoe de Ethiopische autoriteiten hiervan op de hoogte zouden moeten zijn. Volgens de gemachtigde van de minister blijkt tot slot nergens uit dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten.

23. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de door eiser overgelegde informatie volgt dat Tigreeërs die naar Addis Abeba verhuizen en geen paspoort hebben, en dus geen geldig legitimatiebewijs bezitten, kwetsbaar zijn voor arrestaties en afpersing. Dat eiser in het bezit zou zijn geweest van een geboorteakte en dat eiser eerder in detentie heeft gezeten vanwege zijn etniciteit en niet vanwege het ontbreken van een legitimatiebewijs, maakt dan ook niet dat geconcludeerd kan worden dat eiser geen risico loopt op ernstige schade. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister op zitting heeft gereageerd op enkele afzonderlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, maar dat niet alle omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken en de verschillende omstandigheden onvoldoende in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. De minister dient dan ook nader te motiveren waarom de verschillende door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten het zijn van een jonge Tigreeër, het niet in het bezit zijn van een geldig identiteitsbewijs, het gevolgd hebben van een universitaire opleiding, de illegale uitreis, de verschillende activistische activiteiten die eiser zou hebben ondernomen en het risico op monitoring, in samenhang bezien maken dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister dient zich in dit kader evenwel uit te laten over hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd over het al dan niet hebben van een support netwerk en het al dan niet aanwezige risico op gedwongen rekrutering.

24. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf een beslissing op de asielaanvraag te nemen.

26. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

27. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand