RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/696617 / HA RK 25-751
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker] te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.J. de Witte,
tegen
STICHTING REINIER DE GRAAF GROEP te Delft,
verweerster,
hierna te noemen: RdGG,
advocaat: mr. M.S.E. van Beurden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het op 24 december 2025 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 en 2;
het op 9 april 2026 ontvangen verweerschrift, met producties 1 tot en met 4.
Op 16 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. De advocaat van [verzoeker] heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Die spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
RdGG is een ziekenhuis. [verzoeker] is de zoon van wijlen de heer [vader van verzoeker] (hierna: [vader van verzoeker] ). [vader van verzoeker] is op [datum] 2023 tijdens een opname in RdGG overleden.
[vader van verzoeker] was opgenomen in RdGG in verband met een bacteriële infectie in de rug. Hij kreeg medicatie toegediend via een infuus en zuurstof toegediend via een neusbril.
Op [datum] 2023 heeft [vader van verzoeker] rond 20.30 uur via het belsysteem een verpleegkundige opgeroepen. De verpleegkundige die daarop naar de kamer van [verzoeker] is gelopen trof hem daar overleden aan. Het overlijden bleek te zijn veroorzaakt door een aansluiting van de zuurstoftoevoer op het infuus, waardoor een fatale hoeveelheid lucht in het bloed van [vader van verzoeker] terecht is gekomen.
RdGG heeft [verzoeker] diezelfde avond op de hoogte gebracht van het overlijden van zijn vader, waarop [verzoeker] naar het ziekenhuis is gegaan. Daar is hij opgevangen en verder geïnformeerd door [naam 1] , internist, en [naam 2] , anios (arts niet in opleiding tot specialist).
RdGG heeft op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een intern onderzoek ingesteld naar de koppeling van de zuurstof aan het infuus. De uitkomsten van dit onderzoek heeft de onderzoekscommissie in januari 2024 gedeeld met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die daarop heeft geconcludeerd dat er voldoende verbetermaatregelen zijn genomen. Dr. [naam 3] en [naam 4] maakten deel uit van de onderzoekscommissie.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar het
niet-natuurlijk overlijden van [vader van verzoeker] . Tijdens dit onderzoek zijn – in elk geval – de betrokken zorgmedewerkers verhoord die aanwezig waren op de avond van het overlijden.
Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was nog niet bekend of het OM strafrechtelijke vervolging in zal stellen en zo ja, tegen wie.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] heeft – samengevat – de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen, met veroordeling van RdGG in de proceskosten. Daar heeft [verzoeker] het volgende aan ten grondslag gelegd. [verzoeker] wil weten hoe het heeft kunnen gebeuren dat de zuurstofslang is gekoppeld aan het infuus van zijn vader. RdGG weigert om [verzoeker] hierover volledig te informeren. [verzoeker] wil met een voorlopig getuigenverhoor achterhalen wat er is gebeurd en welke zorgmedewerkers daarbij betrokken waren, om een aansprakelijkheidsstelling van RdGG te kunnen onderbouwen en de haalbaarheid van een bodemprocedure te kunnen beoordelen. [verzoeker] wil in dat kader de volgende getuigen horen:
[naam 1] , internist;
[naam 2] , anios psychiatrie;
Dr. [naam 3] , voorzitter van de onderzoekscommissie;
[naam 4] , medewerker van Kwaliteit en Veiligheid;
[naam 5] , cliëntcontactpersoon.
RdGG verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, misbruik maakt van zijn bevoegdheid en dat zwaarwichtige omstandigheden zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan.
4. De beoordeling
Beoordelingskader voorlopig getuigenverhoor
Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Een voorlopig getuigenverhoor zoals [verzoeker] dat verzoekt is zo’n bewijsverrichting. De rechter wijst een dergelijk verzoek in beginsel toe, tenzij:
de verlangde informatie onvoldoende bepaald is;
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
er sprake is van misbruik van bevoegdheid;
r andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Inzage in het strafrechtelijk dossier is bepalend
[verzoeker] wil met het oog op een aansprakelijkheidsprocedure meer duidelijkheid krijgen over de gang van zaken in het ziekenhuis die heeft geleid tot de niet-natuurlijke dood van zijn vader. De informatie die [verzoeker] met een getuigenverhoor kan verkrijgen is mogelijk – deels – te vinden in het strafrechtelijk dossier. In dat dossier bevinden zich, naar RdGG heeft uiteengezet, verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers hebben afgelegd toen zij over het overlijden van [vader van verzoeker] zijn verhoord door de politie.
Anders dan RdGG veronderstelt staat op dit moment echter niet vast dat [verzoeker] (een wettelijk) recht heeft op inzage in het strafrechtelijk dossier. Artikel 51b lid 1 Strafvordering (Sv) bepaalt weliswaar dat een slachtoffer – daar worden nabestaanden ook onder begrepen op grond van artikel 51a lid 1 onder a Sv – een verzoek kan doen aan de officier van justitie om inzage te krijgen in de processtukken van een strafrechtelijk dossier. Maar dit inzagerecht geldt alleen wanneer er vervolging is ingesteld. De vraag of een nabestaande recht heeft op inzage van stukken (voor het doen van beklag op grond van artikel 12 Sv) wanneer er géén vervolging is ingesteld, heeft de Hoge Raad ontkennend beantwoord. In dit geval is (nog) niet bekend of er vervolging wordt ingesteld naar aanleiding van het overlijden van [vader van verzoeker] . Dat betekent dat [verzoeker] op dit moment geen wettelijk afdwingbaar recht op inzage heeft en afhankelijk is van de welwillendheid van de officier van justitie.
De mogelijkheid op inzage in het strafrechtelijk dossier heeft invloed op de belangenafweging en de toewijsbaarheid van dit verzoek, maar over die mogelijkheid bestaat op dit moment onvoldoende duidelijkheid. Daarom zal deze procedure zes weken worden aangehouden. In die periode heeft [verzoeker] gelegenheid om inzage in het strafdossier te verzoeken en de rechtbank over de uitkomst daarvan te berichten, zoals aan het eind van deze beslissing verder zal worden toegelicht. Wanneer [verzoeker] geen inzage krijgt in de verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers ten overstaan van de politie hebben afgelegd dan ligt zijn verzoek in beginsel voor toewijzing gereed, zoals hierna wordt toegelicht. [verzoeker] heeft dan voldoende belang en maakt geen misbruik van bevoegdheid. In dat geval moet [verzoeker] de rechtbank informeren over de te horen getuigen, omdat het verzoek niet toewijsbaar is ten aanzien van het horen van de leden van de onderzoekscommissie.
[verzoeker] heeft voldoende belang bij zijn verzoek
[verzoeker] heeft voldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor wanneer hij geen inzage kan krijgen in het strafrechtelijk dossier. Het verweer van RdGG dat hij onvoldoende belang heeft, slaagt niet. Het belang van [verzoeker] bij het verzamelen van feiten over het overlijden van zijn vader ligt in het kunnen beoordelen van de mogelijkheid RdGG aansprakelijk te kunnen stellen voor zijn schade die het gevolg is van het overlijden van zijn vader. Dat [verzoeker] daarnaast mogelijk ook vanuit emotioneel oogpunt belang heeft bij de verzochte informatie maakt niet dat hij onvoldoende belang heeft bij het verzoek, zoals RdGG heeft aangevoerd. Ook het verweer van RdGG dat op basis van de beschikbare informatie een claim op grond van medisch onzorgvuldig handelen niet zal slagen, leidt niet tot het oordeel dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verzoek. De toewijsbaarheid van de in te stellen vordering ligt bij het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting in beginsel immers niet voor ter toetsing, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van een kansloze vordering. Dat daarvan sprake zou zijn is niet gebleken. Tot slot heeft RdGG aangevoerd dat niet meer kan worden achterhaald wie de zuurstofslang op het infuus heeft aangesloten, zodat voldoende belang bij een getuigenverhoor hiernaar ontbreekt. De rechtbank is echter van oordeel dat die inschatting of beoordeling van RdGG [verzoeker] niet het recht ontneemt een voorlopig getuigenverhoor te vragen.
[verzoeker] maakt geen misbruik van bevoegdheid
[verzoeker] maakt geen misbruik van bevoegdheid door een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken indien hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier, althans hem geen inzage wordt verleend in de verklaringen van de zorgmedewerkers. Er is dan voor hem immers geen andere manier om informatie ter beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag te vergaren. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat het voor de zorgmedewerkers belastend zal kunnen zijn nogmaals een verklaring te moeten afleggen over feiten en omstandigheden rondom het overlijden va [vader van verzoeker] als ze dat al eerder bij de politie hebben moeten doen, weegt het belang van [verzoeker] bij informatievergaring zwaarder. RdGG voert nog aan het verzoek van [verzoeker] prematuur is gedaan, omdat [verzoeker] niet voorafgaand aan deze procedure heeft gevraagd wie de betrokken zorgmedewerkers zijn. [verzoeker] zou, zo verwijt RdGG [verzoeker] , via het getuigenverhoor willen achterhalen wie deze medewerkers zijn en dat is omslachtig. De rechtbank volgt RdGG niet in haar verweer. RdGG heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt bereid te zijn de betreffende namen met [verzoeker] te delen. Dat zal ertoe leiden dat, wanneer het voorlopig getuigenverhoor wordt gelast, dit verhoor niet (meer) als middel dient om die namen te achterhalen. Van misbruik van bevoegdheid is daarom geen sprake.
Het verzoek is niet toewijsbaar ten aanzien van de leden van de onderzoekscommissie
De rechtbank zal het verzoek om leden van de onderzoekscommissie te horen afwijzen, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Deze personen beschikken uit hoofde van hun rol over informatie die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft [verzoeker] geen recht. Op grond van artikel 10 lid 3 Wkkgz zijn zorgaanbieders weliswaar verplicht om een cliënt of diens nabestaanden te informeren over incidenten in de zorg. Maar volgens de parlementaire geschiedenis gaat het hierbij alleen om informatie over het incident zelf en geldt dit recht op informatie niet voor gegevens uit het interne incidentenregister van de zorgaanbieder, zoals analyserapporten die de diepere oorzaken van incidenten onderzoeken. Deze analyses horen bij de kwaliteitsbewaking en het veilig-melden-systeem, waarbij incidenten in de zorg worden geanalyseerd, en dienen te worden afgeschermd om de meldingsbereidheid van dit systeem te vergroten. Het horen van twee leden van de onderzoekcommissie die betrokken zijn geweest bij het opstellen van zo’n analyserapport ligt naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde van inzage verlenen in informatie uit het incidentenregister. Het algemene belang dat deze informatie vanuit het oogpunt van meldingsbereidheid afgeschermd moet blijven verzet zich hiertegen. Deze gewichtige reden verzet zich er tegen deze twee getuigen aan een getuigenverhoor te onderwerpen.
[verzoeker] moet een aangepaste getuigenlijst indienen
De conclusie luidt dat het verzoek van [verzoeker] om een getuigenverhoor te bevelen in beginsel toewijsbaar is, in het geval dat hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier. Wel behoeft de getuigenlijst naar het oordeel van de rechtbank herziening. Zoals hiervoor besproken wordt het verhoor van leden van de onderzoekcommissie niet toegestaan. Verder geldt ten aanzien van [naam 5] , de cliëntcontactpersoon, dat deze geen duidelijke betrokkenheid heeft bij de feitelijke gang van zaken rondom het overlijden van [vader van verzoeker] en dat op geen enkele wijze is duidelijk gemaakt dat diens verhoor kan bijdragen aan de door [verzoeker] gewenste informatievergaring. Alleen [naam 1] en [naam 2] , die [verzoeker] hebben geïnformeerd en opgevangen op de avond van het overlijden, resteren dan op [verzoeker] getuigenlijst. Deze twee personen zijn niet aanwezig geweest bij de verzorging voorafgaand en tijdens het overlijden van [vader van verzoeker] , terwijl het [verzoeker] erom te doen is de mensen die daarbij betrokken waren te mogen horen. RdGG heeft toegezegd de namen van de betrokken zorgmedewerkers die tijdens de avond van het overlijden aanwezig waren te delen met [verzoeker] . Of en in hoeverre deze zorgmedewerkers zich tijdens het getuigenverhoor kunnen beroepen op hun verschoningsrecht is ter beoordeling aan de rechter-commissaris ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal plaatsvinden.
Termijnen voor het verdere verloop van de procedure
[verzoeker] moet uiterlijk zes weken na deze beschikking aan de rechtbank laten weten of hij inzage (toegezegd) heeft gekregen in het strafrechtelijk dossier. Als dat het geval is, dan moet [verzoeker] de rechtbank informeren wat zijn belang nog is bij het verzochte voorlopige getuigenverhoor. In het geval dat [verzoeker] geen inzage krijgt, dan zal er een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen en dient hij zich – na overleg met RdGG over de namen van de betrokken zorgmedewerkers – uit te laten over wie hij als getuigen wil horen. RdGG mag binnen twee weken op het bericht van [verzoeker] reageren. Daarna zal de rechtbank een beschikking wijzen.
Proceskosten
Het oordeel over de proceskosten wordt aangehouden tot de volgende beschikking.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat [verzoeker] de rechtbank uiterlijk op 9 juli 2026 moet informeren over hetgeen in 4.9 is overwogen;
bepaalt dat RdGG uiterlijk 23 juli 2026 op het bericht van [verzoeker] mag reageren;
houdt iedere overige beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
2184